Tomar, ontdek de het historische Midden-Portugal

Wie langs de historische straten van Tomar of aan de oever van het dicht begroeide, in de rivier badende park wandelt, verliest de tempeliersburcht nooit uit het zicht. De UNESCO verklaarde dit monument "Erfgoed van de Mensheid" een unicum in de Geschiedenis van het Westen dat symbolen draagt van de openheid van Portugal ten opzichte van andere beschavingen.

Op deze weblog vindt u alle inspiratie voor een zoektocht naar de geschiedenis van de Tempeliers. Laat u fantasie de vrije loop met informatie over geheime genootschappen, verborgen symbolen en historische bezienswaardigheden. Uw verblijf krijgt een meerwaarde net een zoektocht naar de geschiedenis van kunst, spiritualiteit, cultuur en architectuur. Kom naar Midden-Portugal en bezoek de belangrijkste monumenten, die getuigen zijn van een lange historie. Bij Casa Agradavel kunt u de Portugese gewoonten en gastvrijheid meemaken door te overnachten in een landelijke accommodatie. Het zullen onvergetelijke momenten worden!



Het kasteel van Chinon

Het kasteel van Chinon, een van de kastelen van de Loire, is een middeleeuwse vesting van omstreeks 500 meter lang en 100 meter breed, met uitzicht op de rivier de Vienne. Chinon was hoofdresidentie van de koningen van Engeland (1154-1205) en vervolgens die van de koningen van Frankrijk (1417-1450). Een eerste stenen slot werd in de 11e eeuw op het plateau opgetrokken door de graven van Blois, en vervangen door de graven van Anjou.

Vanwege de oorlog met Engeland achtte Karel VII het raadzaam het Louvre, de residentie in Parijs, te verlaten voor een veiliger oord. Omdat de Loirevallei rustiger was, week de Franse hofhouding in 1427 uit naar het kasteel van Chinon. Tot 1450 zouden de Franse koningen het als hun voornaamste verblijfplaats houden.

In feite bestaat het complex uit de ruïnes van drie kastelen uit de 12e tot de 14e eeuw. Het is gebouwd op antieke Romeinse versterkingen en bestaat uit drie kastelen gescheiden door diepe ravijnen.

Het Fort Saint-Georges ligt aan de oostkant. Van de eerste burcht is maar weinig overgebleven. Het Château du Milieu ligt in het midden. U zult binnenkomen na de restauratie langs de Tour de l'Horloge (14de eeuw). In de klokkentoren bevindt zich een permanente tentoonstelling over het leven van Jeanne d'Arc. Deze biedt op de bovenste verdieping een schitterend uitzicht over de vallei van de Vienne. In de Tour de l'Horloge komt u alles over Jeanne te weten. Het kasteel van Chinon was trouwens ook hoofdresidentie van de koningen van Engeland (1154-1205). In het museum komen de geschiedenis van Frankrijk en Engeland samen. In het midden van deze burcht vindt u het vorstelijk woonverblijf, de grote zaal van Karel VIII. Het is de grootste omwalling van de drie.

Het Fort du Coudray met de wachttoren Tour du Moulin en de Tour de Boissy, is de recentste omwalling aan de Westkant. Voor een uitzicht over de stad moet je in de bovenste zaal zijn van de Tour de Boissy. In het Fort de Coudray werden door Filips de Schone verschillende tempeliers opgesloten. Een aandenken hieraan vormen de nog steeds zichtbare inscripties die door de grootmeester Jacques de Molay in de muur zijn gekrast. Ook zou Jeanne d'Arc in 1429 in een vertrek op de bovenverdieping van het fort verbleven hebben.

Voorlopige restauratie ingang
Vanaf 2008 komt u binnen langs de geheime gang die gebruikt werd door de Franse koning Karel VII om Agnes Sorel te bezoeken. Deze gunstelinge van de Franse koning werd de openlijk erkende maîtresse van de koning, van wie zij onder meer het kasteel van Beauté ontving (in Nogent-sur-Marne bij Parijs). Zij had de titel Dame de Beauté, refererend aan haar schoonheid. Zij moest uiteindelijk het hof in Chinon verlaten.

In het kasteel ontving Karel VII de Franse vrijheidsstrijdster Jeanne d'Arc voor het eerst in maart 1429.

De Tempeliers:
De Tempelorde werd in 1120 gesticht door Hugo van Payens en door de Vlaming Godfried van Sint-Omaars. De orde vervoerde grote geldsommen van en naar het Heilige Land, waardoor zij zich ontwikkelde tot een internationaal bankiershuis. Zo stond de koning van Frankrijk zwaar in de schuld bij hen. Samen met hun groeiende macht was dit de aanleiding voor de Franse koning Filips de Schone om de orde te laten vervolgen wegens ketterij.

De Franse koning liet op vrijdag 13 oktober 1307 alle tempeliers in zijn rijk arresteren wegens ketterij. Veel tempeliers werden opgesloten en gefolterd in Chinon, tientallen stierven op de brandstapel.

Het perkament van Chinon bevat de bekentenissen van de grootmeester Jacques de Molay en nog vier andere hoogwaardigheidsbekleders van de orde. In deze periode zaten de vijf dignitarissen van de orde opgesloten in het kasteel van Chinon, maar ook andere leden van de Orde werden ondervraagd. De verhoren vonden plaats binnen de muren van de burcht. De legaten van de Paus die gekomen waren om de tempeliers te helpen waren in Chinon overgeleverd aan de goodwill van de Franse inquisiteurs en zouden nooit een vuist maken tegen de Franse koning.

In 2001 werden in het archief van het Vaticaan de geschriften met de verhoren teruggevonden, zij waren op onverklaarbare wijze in het archief van de zeventiende eeuw terecht gekomen en werden op deze manier driehonderd jaar "te laat" openbaar gemaakt voor onderzoekers. Deze geschriften zijn inmiddels in druk verschenen en doen behoorlijk wat stof opwaaien, nazaten van de Tempeliers in Spanje hebben dan ook in 2008 een rechtszaak aangespannen omdat ze eerherstel willen.

Bekende bewoners:

Hendrik II Curtmantle (Le Mans, 5 maart 1133 – Chinon, 6 juli 1189) was koning van Engeland van 1154 tot 1189. Hij was een zoon van Godfried Plantagenet, graaf van Anjou, en Mathildis van Engeland, de dochter van Hendrik I van Engeland. Zijn bijnaam had hij te danken aan de praktische korte mantels die hij gewoonlijk droeg.

Hendrik was de eerste koning uit het Huis Plantagenet. De benaming voor dit geslacht is echter pas later in gebruik gekomen. Planta genesta is de Latijnse naam voor brem en was de bijnaam van Hendriks vader, die de gewoonte had een bremtakje op zijn hoed te dragen.

In 1150 werd Hendrik hertog van Normandië en in 1151 graaf van Anjou. Door zijn huwelijk met Eleonora van Aquitanië, die kort daarvoor gescheiden was van de Franse koning Lodewijk VII, verkreeg hij in 1152 bovendien heel Zuidwest-Frankrijk.

In 1153 trok hij naar Engeland om daar zijn rechten op de troon te doen gelden. Op 19 december 1154 werd hij tot koning gekroond als opvolger van koning Stefanus.

Hij maakte een eind aan de onder Stefanus ontstane 'Anarchie' (een periode van burgeroorlog) Hij hervormde het bestuur en de rechtspraak, waarbij hij aansloot bij de politiek van Hendrik I.

Als gevolg van de invoering van de common law nam de invloed van de kerkelijke rechtspraak af. In de Constituties van Clarendon was de verhouding tussen kerk en staat vastgelegd. Een cruciale rol hierbij werd gespeeld door Thomas Becket, vanaf 1155 kanselier en feitelijk regeringsleider. Beckett werd door de koning in 1162 aangesteld als aartsbisschop van Canterbury, juist met de bedoeling om greep op de kerk te krijgen. Eenmaal in dienst van de kerk veranderde Becket zijn houding. Er ontstond onenigheid over de vraag of geestelijken die een seculiere overtreding begingen, behalve door een kerkelijke rechtbank, óók door een seculier hof dienden te worden berecht. De kerk en de staat kwamen hierbij rechtstreeks in botsing. Becket verliet Engeland in 1164 om in het buitenland steun te verwerven bij de paus en de Franse koning. Pas in 1170 kwam er in Normandië een verzoening tot stand en Becket keerde terug naar Engeland. Al snel ontstond er echter een nieuw conflict, deze keer rond de excommunicatie van enkele bisschoppen die Becket bij het eerste conflict niet gesteund hadden. In een woedende uitval sprak Hendrik de woorden: 'Wie ontdoet mij van deze lastige priester?' Vier ridders vatten de uitspraak van de koning letterlijk op, reisden ijlings af naar Canterbury en vermoordden Thomas Becket in de kathedraal op 29 december 1170.

Tussen 1170 en 1173 veroverde Hendrik een groot deel van Ierland, gesteund door de autoriteit van de pauselijke bul Laudabiliter. Hij had de bedoeling om zijn zoon Jan daar koning te maken, maar zover is het niet gekomen. Ook voerde hij oorlog tegen de Franse koningen Lodewijk VII en Filips II Augustus.

Zijn zoons, die hij eerst uit eigenbelang machtsposities in Frankrijk en Engeland had gegeven, waarbij hij zelf in feite de macht in handen wilde houden, kwamen na 1173 tegen hem in opstand. Zij werden hierbij gesteund door de Fransen en door hun moeder, met wie Hendrik had gebroken en die hij vrijwel het grootste deel van hun huwelijk in een kasteel had opgesloten. Bij bijzondere feestdagen mocht zij vooral aan het eind van Hendriks leven aanwezig zijn. Een andere reden dan eigenbelang dat hij zijn zoons grote gebieden had gegeven (Richard werd hertog van Aquitanië, Geoffrey hertog van Bretagne, Jan kreeg heel weinig (Jan Zonder Land), was dat hij zou hebben beseft dat de verschillende gebieden (Engeland en grote delen van Frankrijk) niet tot één rijk samengesmeed konden worden. De (economische) belangen waren te verschillend en er was de voortdurende druk van het opkomende Frankrijk, onder een zeer kundige en listige Filips August.

De dood van de beoogde troonopvolger (zijn zoon Hendrik) in 1183, na een opstand tegen zijn vader, werd gevolgd door de dood van zijn derde zoon Geoffrey, die in 1186 door een paard werd doodgetrapt bij een toernooi. Zijn tweede zoon, Richard (Leeuwenhart), versloeg Hendrik op 4 juli 1189. Na het verraad van zijn favoriete zoon Jan zonder Land, gaf hij de strijd op. Zijn dochter Mathilde Plantagenet, huwde met de Saksische hertog Hendrik de Leeuw, Eleonora met koning Alfons VIII van Castilië en Johanna met koning Willem II van Sicilië en met Raymond VI van Toulouse. Op 7 juli stierf hij in het kasteel Chinon en werd begraven in de abdij van Fontevraud, bij Chinon en Saumur in Anjou.


Richard I Leeuwenhart (Engels en Frans: Richard Cœur de Lion, Engels ook wel: Lionhearted) (Oxford, 8 september 1157 – Châlus bij Limoges (Frankrijk), 6 april 1199) was koning van Engeland van 1189 tot 1199. Hij was de tweede zoon van Hendrik II en Eleonora van Aquitanië.

Richard werd in 1172 hertog van Aquitanië. Tussen hem en zijn broers was enige strijd, en ook kwamen zij herhaaldelijk in opstand tegen hun vader. Toen Richard na de dood van zijn oudere broer in 1183 werd benoemd tot troonopvolger bond hij opnieuw de strijd aan met zijn vader, omdat hij zijn moeders Aquitanië moest afstaan toen hij kroonprins was geworden. Hij wist daarbij de steun te verwerven van koning Filips II van Frankrijk. Na een conflict tussen Richard en Filips sloten zij een verdrag en begonnen aan de voorbereiding van de geldverslindende Derde Kruistocht.

Tijdens de kruistocht waren er veelvuldig twisten tussen Richard en Filips. Toen Filips naar Akko vertrok, verloofde Richard zich met Berengaria van Navarra. Hij trouwde met haar na de verovering van Cyprus in 1191. (Zij kregen geen kinderen; wel is bekend dat Richard een buitenechtelijke zoon had.) Vervolgens trok ook hij naar Akko en speelde een grote rol bij de verovering van de stad. Filips keerde terug naar Frankrijk, maar Richard ging door met de strijd en behaalde een overwinning op Saladin.

Inmiddels was er een complot op gang gezet door Filips en Richards broer Jan zonder Land. Toen Richard hiervan hoorde sloot hij een verdrag met Saladin en keerde terug. Op de terugreis naar Europa werd hij gevangengenomen door hertog Leopold V van Oostenrijk. Het ging hierbij voornamelijk om het verkrijgen van losgeld. Na betaling hiervan werd hij in 1194 vrijgelaten.

Richard stond bekend als een vechtjas, een hard en moedig man, maar ook met culturele interesse en humor. Het is door deze eigenschappen dat hij zichzelf de bijnaam Leeuwenhart verdiende. Hij kreeg die doordat hij in de strijd tegen Saladin zelf volop meevocht. Door zijn avontuurlijke aanleg en oorlogszuchtige instelling bracht hij Engeland aan de rand van de financiële afgrond.

Na zijn terugkeer in Engeland wist hij zijn broer Jan te onderwerpen en nam het koningschap weer over. Richard was van de tien jaar van zijn koningschap in totaal niet meer dan 10 maanden in Engeland. Tot 1198 voerde hij verder oorlog tegen Frankrijk. Tijdens het beleg van het kasteel Châlus-Chabrol in Limousin werd hij door een pijl in zijn schouder getroffen en raakte daardoor dodelijk gewond. Hij werd opgevolgd door Jan zonder Land.

Richard's hersenen zijn begraven in de Abdij van Charroux in Poitou, zijn hart in de kathedraal van Rouen in Normandië en de rest van zijn lichaam is bijgezet, aan de voeten van zijn ouders, in de Abdij van Fontevraud in Anjou.


Jan zonder Land (Engels: John Lackland; Frans: Jean sans Terre) (Beaumont Palace (Oxford), 24 december 1167 – Newark Castle (Newark-on-Trent, Nottinghamshire), 18/19 oktober 1216) was koning van Engeland van 1199 tot 1216. Hij was de jongste zoon van Hendrik II en Eleonora van Aquitanië. Hij was zijn vaders favoriete zoon, maar aangezien hij de jongste was, ontving hij geen gebieden op het vasteland, wat zijn bijnaam verklaart. Na de dood van zijn broer Richard Leeuwenhart in 1199 volgde hij hem, overigens niet zonder slag of stoot, op.

Al voor zijn troonsbestijging had Jan een kwalijke naam opgebouwd als verrader en samenzweerder, soms met, soms tegen zijn oudere broers. Al in 1184 betwistten Jan en Richard elkaar de erfopvolging van Aquitanië, wat leidde tot veel onderlinge onmin. In 1185 echter kreeg Jan het bestuur over Ierland, waar hij zich binnen zes maanden zo onpopulair wist te maken, dat hij het land moest verlaten.

In 1189 trouwde hij met Isabella, een dochter van graaf Willem van Gloucester. Zij kregen geen kinderen en kort voor of vlak na zijn troonsbestijging op 6 april 1199 liet hij het huwelijk nietig verklaren.

Nadat Richard Leeuwenhart in de zomer van 1190 vertrokken was voor de Derde Kruistocht, deed Jan een poging de macht te grijpen, hoewel zijn broer hem verboden had Frankrijk te verlaten. Hij koos daarbij zelfs partij voor de koning van Frankrijk tegen de door zijn broer achtergelaten gouverneur voor de Franse bezittingen. Toen Richard uiteindelijk in 1194 terugkeerde vergaf hij Jan diens misstap. Deze episode is breed bekend geworden via de verhalen rond Robin Hood en in de roman "Ivanhoe" van sir Walter Scott, waarin (niet geheel waarheidsgetrouw) Richard wordt afgeschilderd als de held en Jan als de slechterik.

Tijdens het beleg van het kasteel Châlus in Limousin werd Richard door een pijl in zijn schouder getroffen en raakte daardoor dodelijk gewond. Aangezien Richard Jan als opvolger had aangewezen, werd deze in Engeland algemeen als koning geaccepteerd. De Franse gebieden (afgezien van Normandië) schoven echter een andere troonpretendent naar voren: Arthur I van Bretagne, de zoon van Godfried, de derde zoon van Hendrik II. Dit leidde tot een oorlog, waaraan in mei 1200 een einde kwam met de Vrede van Goulet. Hierbij moest Jan wel een aantal veren laten op het vasteland. De rust was van korte duur, want de Franse koning Filips II August hervatte samen met Arthur de strijd. Uiteindelijk ontdeed hij zich definitief van Arthur door hem in 1203 te wurgen. Na de slag bij Bouvines (1214) raakte Jan vrijwel alle gebieden in Frankrijk kwijt. Door zijn eigen onbetrouwbaarheid had hij de trouw van veel van zijn leenmannen verspeeld.

Inmiddels was hij in augustus 1200 hertrouwd met Isabella van Angoulême, die 20 jaar jonger was. Zij kregen vijf kinderen, onder wie de zoons Hendrik en Richard van Cornwall, en de dochters Johanna, Isabella en Eleonora.

Jan haalde zich via belastingheffingen het ongenoegen op de hals van zijn baronnen en net als zijn vader kwam Jan stevig in botsing met de kerk. Dit laatste kwam door zijn afwijzing van Stephen Langton als aartsbisschop van Canterbury. Paus Innocentius III plaatste Engeland in maart 1208 onder interdict (een schorsing van kerkelijke bedieningen) en deed Jan in 1209 in de ban. In januari 1213 werd hij zelfs van de troon vervallen verklaard. In mei onderwierp Jan zich echter aan het pauselijk gezag en wist daarmee ander naderend onheil te verhinderen. Hij hield zijn land voortaan van de paus in leen, en bezat dus formeel zelf geen land meer (zijn bijnaam "Jan Zonder Land" wordt ook wel hiermee verklaard).

De almaar voortdurende oorlogen eindigden met de grote nederlaag bij Bouvines, waarna een zeer ongunstig vredesverdrag met Frankrijk moest worden gesloten. De baronnen raakten opnieuw ontevreden, evenals de geestelijkheid en de burgerij. Op 15 juni 1215 werd hij gedwongen bij Runnymede de Magna Carta te tekenen. Omdat die verklaring onder dwang was getekend, voelde Jan zich er echter niet aan gebonden. Hij kreeg hierbij de steun van de paus, maar dit kon hem niet baten.

De opstandelingen wilden de kroon overdragen aan de Franse kroonprins Lodewijk (de latere Franse koning Lodewijk VIII). Deze trok in juni 1216 Londen binnen. Jan trok zich terug naar het noorden. Terwijl hij The Wash doorkruiste werd zijn bagagestoet verrast door het opkomend tij. Jan raakte kostbare bezittingen kwijt, waaronder de kroonjuwelen. Door het verlies raakte zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid aangetast. Hij overleed op 18 of 19 oktober 1216 aan dysenterie en werd begraven in de kathedraal van Worcester. Zijn negenjarige zoon volgde hem op als Hendrik III.


Karel VII (Parijs, 22 februari 1403 ? - Mehun-sur-Yèvre, 22 juli 1461) was koning van Frankrijk van 1422 tot aan zijn dood. Hij was de zoon van de mentaal gestoorde Karel VI uit het Huis Valois en Isabella van Beieren.

Hij oefende aanvankelijk slechts het feitelijk gezag uit over een beperkt deel van het koninkrijk, en moest zich verzetten tegen de aanspraken van de zich eveneens koning van Frankrijk noemende Engelse vorst Hendrik VI, die met de steun van de Bourgondiërs het gebied ten noorden van de Loire en Gascogne in het zuiden beheerste. Daarom werd hij ook spottenderwijs koning van Bourges genoemd. Hij leed vermoedelijk aan de bipolaire stoornis: hij werd o.m. verteerd door dwanggedachten over zijn afkomst, omdat het losbandige gedrag van zijn moeder, Isabella van Beieren, schandalen had veroorzaakt. Yolande van Aragón, de hertogin van Anjou, stelde hem onder haar bescherming en zou grote invloed op hem en de Franse politiek uitoefenen. In 1422 trouwde hij met haar dochter, Maria.

Een grote rol in zijn morele rehabilitatie als koning speelde het mysterieuze optreden van Jeanne d'Arc. Toen deze, na een aantal spectaculaire militaire successen, de karakterloze Karel ertoe overhaalde zich volgens de traditie tot koning te laten kronen in Reims op 17 juli 1429 scheen het tij definitief gekeerd. Karel viel evenwel spoedig daarna terug in zijn apathie en miste de kans tot herstel van de Franse eenheid. Het strekt hem niet tot eer dat hij geen enkele poging heeft ondernomen om zijn weldoenster Jeanne d'Arc uit de klauwen van de Engelsen te redden.

Hij slaagde er pas in het Franse gezag te herstellen nadat in 1435 de Bourgondische hertog Filips de Goede zich door de Vrede van Atrecht met hem had verzoend en tegelijkertijd interne tegenstellingen de Engelse weerbaarheid gebroken hadden. In 1444 waren Île-de-France en Gascogne opnieuw onder Karels controle gekomen, in 1449/1450 ook Normandië, en in 1451 Bordeaux en Bayonne.

Belangrijker nog dan het territoriale herstel was zijn reorganisatie van leger en financiën de basis van het latere vorstelijk absolutisme. Karel heeft hiervoor op uitstekende medewerkers een beroep gedaan: Pierre de Brézé, Jacques Coeur e.a., terwijl ook zijn maîtresse, Agnès Sorel, zijn aandacht vestigde op de problemen waarmee zijn koninkrijk worstelde, en hem tot energieker reageren aanmoedigde. Op militair gebied werkte hij aan de oprichting van een staand beroepsleger, dat de uitspattingen van de vroegere ongedisciplineerde legerbenden moest uitschakelen. Om deze onderneming te financieren, creëerde Karel belastingen (tailles) die niet onderworpen waren aan de voorafgaande toestemming van de Staten. Op kerkelijk terrein betekende de Pragmatieke Sanctie van Bourges (1438) eveneens een stap in de richting van het vorstelijk absolutisme, omdat daardoor de Franse kerk rechtstreekser onder het gezag van de koning werd geplaatst. Verzet tegen de groeiende koningsmacht rees vooral onder de adel, die o.m. in 1440 revolteerde (de praguerie), terwijl Karel na 1456 vaak had af te rekenen met de intriges van zijn zoon Lodewijk.


Jeanne d'Arc (Domrémy, Lotharingen, ca. 1412 – Rouen, Normandië, 30 mei 1431), geboren als Jehanne d'Arc en bijgenaamd de maagd van Orléans, is een nationale heldin van Frankrijk. Ze werd in 1909 zalig en in 1920 heilig verklaard door de Rooms-Katholieke kerk.

Jeanne werd geboren tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Engeland bezette met hulp van bondgenoten, de Bourgondiërs, het noorden van het land. Frankrijk had na de dood van Karel VI (de Waanzinnige) in 1422 geen koning, en de troonopvolger (de dauphin) was te apathisch om strijd te leveren voor de kroon. Hij betwijfelde of hij er wel recht op had, omdat het vaderschap van Karel VI omstreden was.

Jeanne d'Arc werd geboren op 6 januari 1412 in Domrémy, ook bekend als Domrémy-la-Pucelle. Als tiener beweerde de diepreligieuze Jeanne stemmen te horen, van de heiligen Catharina en Margaretha, van de aartsengel Michaël en van God, die zeiden dat het land bevrijd moest worden van de Engelsen (de Godons). In 1429 zocht ze de dauphin op, onderweg gekleed als man om zich te beschermen tegen onkuise benaderingen, met als doel hem ervan te overtuigen de strijd op te voeren. De dauphin liet haar eerst ondervragen door kerkelijke gezagsdragers, die haar aanvankelijk van ketterij verdachten, en stemde toen in met het voorstel het Engelse beleg van Orléans te breken. Gekleed als een man, in harnas, wist zij met haar vroomheid, zelfvertrouwen en enthousiasme de gedemoraliseerde Franse troepen in de stad nieuw vertrouwen te geven. Op 8 mei werden de Engelsen gedwongen het beleg op te geven. Dit succes ("17-jarig meisje verslaat Engelsen") sprak in heel het land tot de verbeelding en deed het Franse zelfbewustzijn veel goed, waarop de dauphin zich door Jeanne liet overtuigen dat het tijd was zich te laten kronen. Hiertoe moest Reims veroverd worden, de stad waar traditioneel de koning gekroond werd. Dit lukte de door Jeanne geleide Fransen zonder veel moeite, en op 17 juli werd de dauphin gekroond tot koning Karel VII.

Nadien bleven militaire successen uit. Karel VII was tevreden met het behaalde resultaat en stelde niet genoeg middelen beschikbaar voor verdere veroveringen. Een aanval op Parijs mislukte, en bij een uitval uit het wel veroverde Compiègne werd Jeanne gevangengenomen door de Bourgondiërs (1430). Die verkochten haar aan het eind van het jaar aan de Engelsen.

De Engelsen waren er erg op gebrand haar als heks en ketter neer te zetten, om zodoende het koningschap van Karel VII te ontkrachten. Ze brachten haar in februari 1431 in Rouen voor de Inquisitie, de kerkelijke rechtbank. Jeanne werd beschuldigd van het weglopen uit het ouderlijk huis, het ontkennen van de kerkelijke autoriteit (haar eigen contact met God via de stemmen), poging tot zelfmoord (ze had geprobeerd uit de Bourgondische gevangenschap te ontsnappen door uit een toren te springen), en het dragen van mannenkleren. Aanvankelijk gaf ze niets toe, maar na dreiging met marteling trok ze haar verklaring over het horen van stemmen in. Hierop werd ze veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

De Engelsen waren hier niet tevreden mee en wisten haar met een list ertoe te verleiden in de gevangenis weer mannelijke kleren te dragen. Het proces werd hierop heropend. De rechters constateerden dat Jeanne wederom in overtreding was en verklaarden haar nu tot ketter - een misdrijf dat tot de brandstapel leidde. Op 30 mei 1431 werd ze op de brandstapel verbrand op de oude markt in Rouen. Nadat ze dachten dat ze overleden was, werd het vuur gedoofd en haar deels verkoolde lichaam aan de omstanders getoond, om te laten zien dat ze inderdaad een vrouw was. Daarna werd het vuur weer aangestoken. Omstanders beweerden dat haar hart niet brandde. Haar as werd in de Seine gestrooid.

De processtukken zijn bewaard gebleven. Er komt een beeld uit naar voren van een eenvoudig boerenmeisje dat soms antwoord moest geven op ingewikkelde theologische vragen, zonder rechtsbijstand. Haar militaire optreden was vooral nuchter, zij het dat moed haar bepaald niet te ontzeggen valt: vandaar de benaming la fille au grand coeur.

Karel VII, die zijn koningschap aan haar te danken had, deed geen enkele moeite haar te bevrijden. De moeder van Jeanne verkreeg in 1450 herziening van het proces en in 1456 werd de veroordeling wegens "ketterij" nietig verklaard door paus Calixtus III. In april 1909 werd Jeanne zalig verklaard door paus Pius X, en op 16 mei 1920 verklaarde paus Benedictus XV haar heilig. Haar feestdag wordt gevierd op 30 mei.

Jeanne d'Arc is in Frankrijk een politiek symbool sinds Napoleon en werd gebruikt door verschillende groeperingen. Zo benadrukte links haar eenvoudige komaf, de vroege conservatieven wezen op haar steun aan de monarchie en de latere conservatieven roemden haar nationalisme. Gedurende de Eerste Wereldoorlog riep de Franse poilu haar naam in de loopgraven en werd ze vaak gebruikt op propaganda-affiches. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten zowel het Vichy-regime als het Franse verzet haar als symbool voor hun strijd.

In de hedendaagse Franse politiek claimt de rechts-nationalistische partij Front National Jeanne d'Arc als beschermster van het land tegen vreemde invloeden. Hun embleem van een driekleurige vlam verwijst naar haar martelaarschap. De partij gebruikt Jeannes beeltenis in partijpublicaties en organiseert manifestaties bij haar standbeelden.

Verdere bekende bewoners:

Richelieu
Agnes Sorel
Eleonora van Aquitanië
Anna van Bretagne
Filips II Augustus
Karel van Orléans (Lodewijk XII)
Karel VII van Frankrijk
Karel VIII van Frankrijk