Tomar, ontdek de het historische Midden-Portugal

Wie langs de historische straten van Tomar of aan de oever van het dicht begroeide, in de rivier badende park wandelt, verliest de tempeliersburcht nooit uit het zicht. De UNESCO verklaarde dit monument "Erfgoed van de Mensheid" een unicum in de Geschiedenis van het Westen dat symbolen draagt van de openheid van Portugal ten opzichte van andere beschavingen.

Op deze weblog vindt u alle inspiratie voor een zoektocht naar de geschiedenis van de Tempeliers. Laat u fantasie de vrije loop met informatie over geheime genootschappen, verborgen symbolen en historische bezienswaardigheden. Uw verblijf krijgt een meerwaarde net een zoektocht naar de geschiedenis van kunst, spiritualiteit, cultuur en architectuur. Kom naar Midden-Portugal en bezoek de belangrijkste monumenten, die getuigen zijn van een lange historie. Bij Casa Agradavel kunt u de Portugese gewoonten en gastvrijheid meemaken door te overnachten in een landelijke accommodatie. Het zullen onvergetelijke momenten worden!



Posts tonen met het label Geschiedenis t/m 1306. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geschiedenis t/m 1306. Alle posts tonen

Lost Worlds: The Knights Templar



Examining places associated with the Knights Templar, including the city of Tortosa, now covered by the modern Syrian city Tartus; and their headquarters at the Temple Mount in Jerusalem. Narrated by Corey Johnson.







Jacques de Molay

Jacques de Molay (omstreeks 1240-1250 - Parijs, 18 maart 1314) was de laatste grootmeester van de Orde van de tempeliers.

Over zijn jeugd is bijna niets bekend. Aangenomen wordt dat Molay tussen 1240 en 1250 is geboren, meer exact wellicht tussen 1244/45 en 1248/49. Het precieze jaartal is niet bekend. Zijn vader was een Bourgondische edelman, Jean de Longwy. Zijn moeder de dochter van de Sire de Rahon. Er zijn meerdere plaatsen die de naam Molay dragen. Daarom is het niet meer dan een veronderstelling dat hij is geboren in de plaats Molay in het bisdom Besançon.

In 1265 werd Jacques de Molay in Beaune opgenomen in de Orde van de tempeliers. De plechtigheden bij de inwijding werden geleid door Ymbert de Peraudo en Amalric de Ruppe. Pas in 1270 wordt weer melding gemaakt van de naam Jacques de Molay. Hij zou dan in het Heilige Land verblijven.

In 1285 werd Jacques de Molay tot bevelhebber van Akko benoemd. Omdat hij in 1290 op Cyprus verbleef kon hij in 1291 niet deelnemen aan de verdediging van Akko. In 1291 vond op Cyprus een concilie van de tempelorde plaats. Naar aanleiding daarvan gaf Jacques de Molay uiting aan zijn onvrede over de toestand binnen de orde. Hij zag zichzelf als de aangewezen persoon om daar verandering in te brengen. Vanaf 1294 stond hij aan het hoofd van de tempeliers.

Gedurende het proces tegen de tempeliers in 1307 werd hij door martelingen gedwongen valse bekentenissen af te leggen en tot levenslange opsluiting veroordeeld. Nadat hij zijn bekentenissen had herroepen werd hij in 1314 in Parijs op de brandstapel terechtgesteld. De terechtstelling vond plaats aan de westelijke zijde van de Pont Neuf op het Île de la Cité in Parijs. Tegenwoordig geeft een kleine plaquette de plaats aan.

Het is niet met zekerheid te zeggen of de Molay de paus en de Franse koning vervloekte, zoals vaak beweerd wordt in boeken en geschriften. Anderen stellen dat de Molay verklaarde dat paus Paus Clemens V en koning Filips IV van Frankrijk nog binnen hetzelfde jaar voor Gods Gerechtshof moesten verschijnen om zich te verantwoorden. Ze zouden derhalve sterven en voorts zou de Franse koning geen vruchtbare nakomelingen krijgen. Feit is in elk geval dat de paus en de Franse koning inderdaad zeer onverwachts binnen dat jaar stierven. Wat de erfgenamen van de koning betrof: hij had zes zonen en enkele dochters. Drie zonen stierven vrij jong. De overige drie werden allemaal koning, maar geen van hen had een mannelijke nakomeling.

Thibaud Gaudin

Thibaud Gaudin (1229 - 16 april, 1292) was de Grootmeester van de Tempeliers van augustus 1291 tot aan zijn dood in april 1292.

De geschiedenis van Thibaud Gaudin binnen de Orde is nogal mysterieus. Geboren in een adellijke familie uit het gebied van Chartres en Blois, Frankrijk, ging hij naar de Tempeliers ruim vóór 1260, omdat op die datum hij gevangen werd genomen tijdens een aanval op Tiberias. Door zijn grote vroomheid werd kreeg hij de bijnaam van "Gaudin Monk".

In 1279, zou hij de functie van "Commandant van het Land van Jeruzalem" bestieren.(niet bevestigd), de vierde meest belangrijke functie in de tempeliers hiërarchie. In 1291 reed hij met van Guillaume de Beaujeu naar de stad Akko om die te verdedigen, omdat die werd belegerd door het formidabele leger van Mamelukken Sultan Ashraf Al-Khalil. Op 18 mei, na de dood van Guillaume de Beaujeu, bleef Gaudin in de stad Akko. De overige ridders van de orde, mannen, vrouwen en kinderen vonden onderdak in de tempel van het grote fort van de Tempeliers. Pierre de Sevry, Maarschalk van de Orde, Thibaud Gaudin, en hun ridders waren de laatste die Akko verdedigden. Na een hele week van belegering zonder succes, bood Ashraf Al-Khalil aan om ze te laten vertrekken naar Cyprus met al hun bezittingen. Een Emir en 100 Mamelukken waren toegelaten tot het fort, maar ze begonnen sommige vrouwen en jongens te molesteren. Woedend om deze handelingen, vermoorden de ridders de Mamelukken en barricadeerde het fort opnieuw. Die nacht stuurde Pierre de Sevry zijn commandant, Thibaud Gaudin en een aantal niet-strijders, met de boot naar Sidon. Akko viel de volgende dag.

In oktober 1291, kwam van de orde bijeen in Cyprus. Deze vergadering bevestigde de verkiezing van Thibaud Gaudin als Grand Master en hij benoemde nieuwe hoogwaardigheidsbekleders in de belangrijke posities binnen de hiërarchie van de de Tempeliers. Bij die gelegenheid werd Jacques de Molay maarschalk, als opvolger van Pierre de Sevry, die stierf in Akko. Thibaud Gaudin probeerde alle Tempeliers te reorganiseren na de verwoesting van de recente gevechten. Bovendien was het noodzakelijk voor hem om het Koninkrijk van Armenië te verdedigen tegen de omcirkelde Turkse Seldjoukides en het eiland Cyprus, bezet door een veelheid van vluchtelingen. Blijkbaar was het een ontmoedigende taak voor Thibaud Gaudin, hij overleed in 1292, waardoor er een enorme taak van wederopbouw achterbleef voor zijn opvolger.

Guillaume de Beaujeu

Willem van Beaujeu ook wel Guillaume de Beaujeu (gedood op 16 mei 1291 Akko) was de 21ste grootmeester van de Orde der Tempeliers, van 1273 tot 1291. Hij stamde van een Franse hoogadelijke familie.

Tijdens de regeerperiode van Willem was hij een doorn in het oog van de kalief van Egypte, met guerrillatactieken provoceerde hij deze. Tijdens het Beleg van Akko in 1291 verdedigde Willem samen met zijn tempeliers het laatste bolwerk van het koninkrijk Jeruzalem, het was hun (om onduidelijke reden) er alles aangelegen om stand te houden, men vermoed om religieuze en waarde volle attributen het land uit te smokkelen voordat ze in moslimhanden zouden vallen. Maar op 16 mei sloeg het noodlot voor Willem toe, zijn laatste woorden waren Ik loop niet weg, ik ben dood, en verwees naar zijn wond. Hij liet vervolgens zijn zwaard vallen en viel neer. een maand later zou het Beleg van Akko (1291) in handen van de moslims vallen. Hij werd opgevolgd door Thibaud Gaudin.

Thomas Bérard

Thomas Bérard (ook Beraud of Berault) was de 20e grootmeester van de Tempeliers, van 1256 tot 1273. Hij schreef verschillende brieven aan de koning Henry III van Engeland die beschrijven een ellendige situatie in het Heilige Land.

Hij nam het initiatief tot samenwerking met de andere twee militaire orders, omdat er was veel rivaliteit tussen hen was. Dit is overeengekomen door de Grand Masters: Hugo de Revel van Hospitaliers en Anno von Sangershausen van de Teutoonse Ridders. In 1266 werd de grote tempeliers vesting Safed belegerd door de Egyptische Mamlooks (of Mamelukken) na een mislukte poging om Pilgrim's Castle veroveren. Het lijkt erop dat het garnizoen werd verraden door een ingehuurde Syrische soldaat. Alle tempeliers (hospitaalridders ook) werden onthoofd, nadat zij weigerden zich te bekeren tot de islam. Andere forten viel ook, onder hen Beaufort, dat pas was overgenomen door de Tempeliers. Ook de stad van Antiochië verviel aan Baybars (de Mamluk commandant) en kwam nooit meer in handen van Christelijke krachten. Dooe de val van Antiochië werden de Tempeliers forten in Amman's bergen gemakkelijk toegankelijk voor aanvallers. Gaston, een immens sterk fort op de weg naar Syrië, werd verdedigd door slechts een klein Tempeliers garnizoen. Inmiddels had Thomas Bérard een boodschapper gezonden met een bevel zich terug te trekken naar La Roche Guillaume. In februari 1271, werd Chastel Blanc ingeleverd op bevel van de Thomas Bérard met toestemming om terug te trekken naar Tortosa. In juni echter, werd Montfort, de laatste binnenland fortificatie van christenen in het Heilige Land, opgeleverd.

Guillaume de Sonnac

Guillaume de Sonnac was Grootmeester van de Tempeliers 1247-1250. Sonnac werd geboren in een adellijke familie in de Franse regio Rouergue. Geen datum van geboorte overleeft voor de Grootmeester. Hij werd beschreven door Matthew Parijs als "een discreet en oplettende man, die ook geschoold en ervaren in de zaken van oorlog".

De Sonnac is een vast lid van de orde vóór zijn verkiezing tot Grootmeester. Hij was de leermeester van Aquitanië in Frankrijk voor de Tempeliers [1] en kwam in het Heilige Land rond de herfst van 1247, het vinden van "de overblijfselen van het Koninkrijk van Jeruzalem in een precaire toestand. [1] Grand Master Armand de Perigord was genomen gevangene aan de slag bij La Forbie in 1244, en na onderhandelingen over zijn vrijlating geen twee jaar later, [1] De Sonnac werd voorgesteld als een vervanging. Voor zijn eerste jaar in het Oosten was, werd hij de nieuwe leider van de orde.

Richard de Bures

Richard de Bures kan zijn zeventiende is Grootmeester van de Tempeliers, 1245-1247, hoewel vele bronnen geen melding van hem maken

Armand de Perigord

Armand de Perigord (of Hermann de Pierre-Grosse) (1178-1247?) Was een afstammeling van de graven van Perigord en een grootmeester van de Tempeliers.

Hij was kapitein van de provincie Apulië en Sicilië 1205-1232. In 1232 werd hij verkozen tot Grootmeester van de Tempeliers. Hij organiseerde aanvallen op Cana, Safita, en Sephoria, en tegen de islamitische plaatsen rondom de Zee van Galilea. Al deze expedities waren mislukkingen en verminderde effectiviteit van de Tempeliers.

In september 1239, Armand aangekomen bij Acre. Hij maakte een verdrag met sultan van Damascus, parallel met de hospitaalridders verdrag met de Sultan van Egypte. In 1244 de sultan van Damascus eiste dat de Tempeliers helpen afstoten van de Khwarezmians uit Klein-Azië. In oktober 1244, de Tempeliers, Hospitaalridders en de Duitse Orde, samen met de sultan van Damas, geconfronteerd met de sultan van Egypte en zijn bondgenoten Khwarezmian bij de Slag van La Forbie. De christelijke-islamitische coalitie werd verslagen, met meer dan 30.000 doden. Sommige Tempeliers en Hospitaalridders bereikt Ascalon, nog steeds in christelijke handen. Armand de Perigord kunnen zijn gedood tijdens het gevecht, maar kan zijn gevangen en overleefde tot 1247.

Guillielmus de Carnoto

Willem van Chartres of Guillielmus de Carnoto (overleden 1218) was prins van het Cisterciënzer Prinsdom Seborga en was van 1210 tot aan zijn dood de veertiende Grootmeester van de Orde van de Tempeliers.

In 1210 assisteerde hij Jan van Brienne bij zijn kroning tot Koning van Jeruzalem. Het jaar daarop slechtte hij een conflict tussen Leo I van Armenië en de Tempeliers over het Kasteel van Bagras. Onder zijn leiding groeide ook de macht van de Orde in Spanje, onder andere door het behalen van belangrijke overwinningen op de Moren. Willem stierf in 1218 zeer waarschijnlijk aan de pest, hij werd opgevolgd door Peter de Montaigu.

Phillipe de Plessis

Phillipe de Plessis (1165 - 1209) was de dertiende Grootmeester van de Orde van de Tempeliers. Hij volgde in 1200 Gilbert Erail op. Phillipe was van oorsprong een Franse ridder uit de Anjou en nam in 1189 deel aan de Derde Kruistocht, eenmaal in het Heilige Land aangekomen werd hij lid van de Tempeliers.

Phillipe was een van de ridders die verantwoordelijk was voor het verdrag tussen Saladin en Richard Leeuwenhart. Hij versterkte ook de banden met de Duitse Orde en met Malek Adil, iets wat zeer bekritiseerd werd door Paus Innocentius III. Onder zijn leiding bereikte de macht van de Orde in Europa zijn hoogtepunt. Phillipe overleed in 1209 en werd opgevolgd door Willem van Chartres.

Gilbert Erail

Gilbert Erail (overleden 1200) was de twaalfde Grootmeester van de Orde van de Tempeliers. Hij volgde in 1194 Robert de Sablé op.

Gilbert kwam oorspronkelijk uit het Koninkrijk Aragon en begon met dienen in de Orde al op jonge leeftijd. Daar nam hij deel in de gevechten van de Reconquista. In 1190 werd hij binnen de Orde benoemd tot grootmeester van de provincie Aragon. Toen in 1193 Robert de Sablé overleed volgde hij hem op als grootmeester. In die zelfde tijd verschafte Paus Celestinus III de Orde meer priviléges.

Erail was erom bekend dat hij graag vrede wilde stichten tussen de Christenen en de Moslims. Niet iedereen ging hiermee akkoord en hij werd zelfs beticht van verraad en samenheulen met de vijand. Tevens groeide tijdens zijn regeerperiode de ruzie tussen de Tempeliers en de Hospitaliers. Paus Innocentius III kwam tussenbeide en de ruzie werd in het voordeel beslecht van de Hospitaliers, vanwege dat de paus op de hoogte was over de overeenkomsten tussen hen en de broer van Saladin, Malek Adil. Erail werd opgevolgd door Phillipe de Plessis.

Robert de Sablé

Robrecht van Sablé of Robert de Sablé (overleden in 1192 of 1193) was de 11de grootmeester der Tempeliers en tussen 1191 en 1192 heer van Cyprus.

Sablé was afkomstig uit Anjou, Frankrijk. Hij werd op late leeftijd benoemd tot grootmeester, maar had tijdens zijn leven bij de orde al velen rijkdommen en landerijen vergaard, onder meer bij de rivier de Sarthe.

Gerard de Ruddervoorde

Gerard de Ruddervoorde ook bekend als Gerard de Ridefort )1 oktober 1189†) was de tiende grootmeester van de Orde der Tempeliers.

Ruddervoorde zou de jongste zoon van een Vlaamse edelman geweest zijn. Omdat hij weinig kans maakte op een titel of erfenis besloot hij zich in 1146, bij de tweede kruistocht te voegen. Toen deze kruistocht mislukte, bleef hij toch in het Heilige Land om onder Raymond III van Tripoli te dienen. Als dank voor zijn voorbeeldige diensten, beloofde Raymond aan Gerard om Lucia van Batroun te mogen huwen. Dit huwelijk zou hem een groot grondbezit veschaffen. Raymond liet zich echter omkopen door een rijke boer, die in de plaats van Gerard met Lucia trouwde. Nieuwe bevindingen geven aan dat het hier om Cecile Dorel ging, die het kustgebied met Batroun had geërfd van haar vader. Raymond III huwde haar uit aan een neef van een Pisaanse handelaar genaamd Plivano, deze betaalde er 10.000 bezanten voor, zoals de 13e eeuwse schrijver Willem van Tyrus dit beschreef in zijn oud Franse continuntie. Na de woordbreuk van Raymond sloot Gerard zich aan bij de Tempelridders. Gerard werkte zich snel op. In 1184 werd hij verkozen tot Grootmeester der Tempeliers als opvolger van Arnoldus van Torroja en bleef dit tot aan zijn dood.

Na het overlijden van koning Boudewijn V van Jeruzalem schaarde Ruddervoorde zich bij een factie die Raymond III van Tripoli de troon wilde ontnemen. Gerard koesterde immers ook wraak tegen Raymond, omdat deze zijn beloftevolle huwelijk had doen mislukken.

Na de machtsgreep stuurde koning Hendrik II van Engeland geld om de Tempeliers en de Hospitaalridders te steunen. Gerard gebruikte het geld echter om werkeloze soldaten de stad Jeruzalem te laten bewaken. Later trok hij ten strijde tegen Saladin en zijn Egyptische strijders. Bij een poging om met 140 man ten aanval te trekken in de Slag bij Cresson, werd hij omsingeld door 7000 man van Saladin. Gerard was slechts één van de weinige overlevenden. Het is onduidelijk hoe hij heeft kunnen ontsnappen.

Ruddervoorde heeft in de geschiedenis een slechte reputatie opgebouwd. Toch zijn er verschillende bronnen die zijn roekeloze gedrag tegenspreken. Hij zou volgens deze werken het slachtoffer zijn van slechte propaganda. Deze propaganda zou afkomstig zijn van schrijvers uit Tripoli, de aartsvijanden van de Tempeliers. Zo zou zijn biograaf ook niet echt een fan van hem zijn geweest. Ruddervoorde vocht volgens recente bronnen terug op de oude manier en deed waar de tempeliers echt voor dienden. Namelijk pelgrims beschermen.

Later op het jaar leidde Ruddervoorde de aanval in, bij de Slag van Hattin. De christenen werden overmeesterd en Gerard werd gevangengenomen. Guy de Lusignan wist Ruddervoorde bij Saladin vrij te kopen, namelijk door de stad Gaza aan hem over te dragen.

Kort daarna ondernam Gerard opnieuw een veldtocht, maar sneuvelde tijdens het beleg van Akko op 1 oktober 1189.

Arnoldus van Torroja

Arnoldus van Torroja (overleden Verona, 30 september 1184) was de 9de grootmeester van de Orde der Tempeliers tussen 1180 en 1184.

Torroja kwam vermoedelijk uit Catalonië en was al erg op leeftijd bij zijn aanstelling als grootmeester (mogelijk was hij al 70-jaar). In 1184 ging hij in diverse landen om geld en militaire steun te vergaren; in Italië aangekomen werd hij ziek en overleed. Hij werd opgevolgd door Gerard de Ruddervoorde.

Eudes van Saint-Amand

Odo (of Eudes) van Saint-Amand was de 8ste grootmeester der Tempeliers tussen 1171 en 1179.

Saint-Amand was waarschijnlijk afkomstig uit Limoges, Frankrijk, en mogelijk naar het Heilige Land getrokken tijdens van de tweede Kruistocht. In Jeruzalem werd hij officier en later commandant van Jeruzalem. In 1171 werd hij tot grootmeester van de Tempeliers benoemd. Onder zijn leiding boekte de orde grote vorderingen; er werden militaire acties ondernomen in Nablus en Jericho. Zijn grootste zege boekte hij met de Slag bij Montgisard, waar zijn bataljon een voorhoedecavalerie van Saladin wist uit te schakelen. In 1179 was Saint-Amand meegereisd met koning Boudewijn IV naar Sidon; daar werd hij tijdens de Slag bij Marjayoun gevangengenomen. Er werden nog onderhandelingen gevoerd om hem vrij te krijgen, maar die kwamen te laat; hij overleed in gevangenschap.

Filips van Nablus

Filips van Milly ook wel Filips van Nablus (omstreeks 1120 - 3 april 1171) was een vooraanstaande baron van het Koninkrijk Jeruzalem en de zevende grootmeester van de Tempeliers.

Filips was een zoon van Gwijde (of Guy) van Milly, een ridder mogelijk uit Normandië, die had deelgenomen aan de Eerste Kruistocht, en van zijn vrouw Stephanie van Vlaanderen. Gwijde en Stephanie hadden drie zonen, allen geboren in het Heilige Land, Filips was mogelijk de oudste van de drie. Hij wordt voor het eerst genoemd als de zoon van Gwijde in een kroniek uit 1138 en moet daarna heer van Nablus zijn geworden tussen die datum en 1144, wanneer zijn naam verschijnt met de titel van Nablus. Rond die tijd moet hij al getrouwd zijn met zijn vrouw Isabella, een dochter van Maurits van Oultrejordain.

Als heer van Nablus werd Filips een vooraanstaande baron van het Koninkrijk Jeruzalem. In 1144 werd hij door koningin Melisende naar het noorden gestuurd om Edessa te ontzetten, maar hij arriveerde toen de stad al in handen van de moslims verkeerde. In 1148, toen de kruisvaarders van de Tweede Kruistocht aankwamen, nam Filips deel aan het concilie in Akko, waar hij en de andere baronnen weinig in te brengen hadden tegen het onverstandige besluit om Damascus te belegeren, waardoor de Tweede Kruistocht geheel mislukte.

Samen met de sterke familie Ibelin, waar zijn halfzuster Helvis ingetrouwd was, steunde Filips de koningin in het conflict met haar zoon Boudewijn III om de verdeling van het koninkrijk in 1151. Koningin Melisende beheerde daarbij het zuidelijk deel van het koninkrijk, inclusief Nablus. Nadat dit alles was bijgelegd, nam Filips met Boudewijn III deel aan het Beleg van Ascalon en het ontzet van Banyas.

In juli 1161, toen Melisende op sterven lag, verruilde Filips zijn leen van Nablus voor dat van Oultrejordain en vergaf de titel van Nablus aan Boudewijn III. Boudewijn wilde een sterke baron in het zuidelijk gebied om de controle aan de grens op te voeren, maar hij stierf in 1163, waarna zijn broer Amalrik I, een goede vriend van Filips, de heerschappij overnam.

Filips nam deel aan Amalriks invasie van Egypte in 1167 en zou gedurende het Beleg van Bilbeis het leven van Hugo van Ibelin hebben gered, die zijn been had gebroken bij een val van zijn paard. De Tempeliers die niet helemaal achter de invasie stonden, kregen van koning Amalrik de schuld van het mislukken van de invasie.

Na de dood van hun Grootmeester Bertrand van Blanchefort in januari 1169 zette Amalrik de orde onder druk om Filips als hun nieuwe leider te kiezen. Dit gebeurde dan ook datzelfde jaar in augustus. Met deze verkiezing had Amalrik opnieuw steun vergaard om een nieuwe Egyptische invasie uit te voeren, maar aan het einde van dat jaar moesten Amalrik en zijn strijdkrachten zich opnieuw noodgedwongen terugtrekken.

Om onbekende redenen nam hij ontslag als Grootmeester in 1171 en werd opgevolgd door Odo van Saint-Amand. Filips begeleidde Amalrik vervolgens naar Constantinopel als ambassadeur. Hij overleed waarschijnlijk onderweg op 3 april 1171.

Filips huwde rond 1159/1160 met Isabella, een dochter of (mogelijk weduwe) van Maurits van Montreal, heer van Oultrejordain, en kreeg met haar drie kinderen;
Reinier of Reinoud, overleed voor 1172 , Helena, huwde Wouter III van Brisbarre
Stephanie, erfde alle goederen nadat haar broer en zus overleden waren, huwde Humpfrey III van Toron, Miles van Plency en Reinoud van Chatillon.

Literatuur
Malcolm Barber, The career of Philip of Nablus in the kingdom of Jerusalem, in The Experience of Crusading, vol. 2: Defining the Crusader Kingdom, eds. Peter Edbury and Jonathan Phillips, Cambridge University Press, 2003.
Bernard Hamilton, The Leper King and His Heirs, Cambridge, 2000.
Kenneth Setton, ed., A History of the Crusades, Madison, 1969-1989.
Willem van Tyrus, A History of Deeds Done Beyond the Sea, trans. E. A. Babcock and A. C. Krey, Columbia University Press, 1943.

Bertrand de Blanchefort

Bertrand de Blanchefort was de zesde grootmeester der Tempeliersorde vanaf 1156 tot zijn dood in 1169. Hij verwierf bekendheid door zijn grote hervormingen binnen de orde.

De naam van Bertrand de Blanquefort verschijnt voor de eerste maal op 2 november 1156 op een vredesakkood tussen Baudoin IV en de Pisanen. Zes maanden na zijn aanstelling, op 19 juni 1157 werd hij samen met 86 andere ridders van de Tempel gevangen genomen na de slag bij het meer van Mérom. Hij blijft voor drie jaar de gevangene van sultan Nour-el-Din tot de keizer van Byzantium zijn losgeld betaalde. In 1165 zal Nour-ed-Din opnieuw een zware slag toebrengen aan de Orde, ditmaal bij Haren waar 60 ridders het leven verloren. Bertrand de Blanquefort was op dat moment in Egypte met koning Amaury (die zou sterven aan melaatsheid), opvolger van Baudoin III. De Grootmeester sterft op 2 februari 1169.

Bemerkingen :

* Volgens Baigent, Leigh en Lincoln was Bertrand de Blanchefort de vierde Grootmeester van 1153 tot 1170 (de reden hiervoor is dat Evrard des Barres en André de Montbard in feite geen Grootmeesters waren. Hij zou uit een Kathaarse familie afstammen (dit wordt echter nergens vermeld, waarbij nog komt dat Guillaume de Tyr hem beschreef als een 'religieus en godsvrezend man').

* Dezelfde schrijvers zijn de mening toegedaan dat het kasteel Blanchefort, die op enkele kilometers van Rennes-le-Château ligt zijn ouderlijk huis was. Jean Markale verklaart formeel dat de Bertrand de Blanchefort geen lid was van de familie Blanchefort van Razès (Haute-Vallée de L'Aude), maar van de familie Blanquefort uit Guyenne. De plaats Blanchefort (tegenover de berg Cardou) heeft volgens Richard Andrews en Paul Schellenberger geen direct verband met de Tempeliers gehad (dit misverstand ontstond door de naam 'Bernardi de 'Blanca Fort' die voorkwam in het gebied van Rennes, maar niets te maken had met de zesde Grootmeester).

Van deze Bertrand is bekend dat hij in 1156 een groep Duitse mijnwerkers naar Frankrijk haalde voor werkzaamheden in de buurt van Blanchefort. Een vreemde zaak, want de mijnen waren in die tijd al uitgeput. Ook is het merkwaardig te noemen dat ze geen contact mochten hebben met de plaatselijke bevolking. Zou dit verband kunnen houden met de Geheime Plaats?

Uit het vermoeden dat de Tempeliers achter de bouw van het patroon zitten wordt ook het belang verklaard van het "Château des Templiers" in Le Bézu, dat in 1288 door Pierre II de Voisins werd verbouwd. Voor de bouw van een kapel en een uitkijkpost haalde hij een speciale groep Tempeliers uit de Roussillon hiernaar toe. In Deel 4 had ik mij verbaasd dat de lijn van Le Bézu door Punt X naar de kerk liep van Serres, en niet naar het kasteel. Maar ook dat is nu aan de hand van het Kerken-patroon opgehelderd. Bovendien heb je vanaf de Tempelierspost, officieel "Château d'Albedun" geheten, een prachtig uitzicht op de Geheime Plaats en kan je het goed in de gaten houden.

Een ander bewijs wordt gevormd door de commanderie van de Tempeliers in Campagne-sur-Aude. Het langste deel van het kruis van het Kerken-patroon wordt gevormd door de middelloodlijn op Peyrolles-Serres. Deze gaat door de kerk van Cassaignes. Maar het verlengde van deze lijn eindigt in de kerk van de genoemde commanderie. Een duidelijker aanwijzing bestaat er niet.

André de Montbard

André de Montbard (geboren ca. 1103 - Jeruzalem, 17 januari 1156) was de vijfde grootmeester in de Orde der Tempeliers en mede oprichter van die zelfde orde (zie ook Hugo van Payens).

André was vermoedelijk afkomstig uit Bourgondië en was vermoedelijk een oom van geestelijk leider Bernard van Clairvaux. hij nam het grootmeesterschap over van Bernard de Tremelay nadat deze was gesneuveld in 1153. Na zijn dood in 1156 werd hij opgevolgd door Bertrand de Blanchefort.

Bernard de Tremelay

Bernard de Tremelay was de vierde grootmeester in de Orde der Tempeliers. Hij is geboren in de burcht van Tramelay, in de buurt Saint-Claude. Volgens de Franse filosoof en historicus Charles du Fresne volgde hij een zekere Hugues* op als grootmeester. Deze Hugues is echter onbekend als grootmeester. Bernard de Tremelay is benoemd tot Grootmeester in Juni 1151, na het aftreden van Everard des Barres, die met de Tweede Kruistocht terugkeerde naar Frankrijk. Koning Boudewijn III kende hem de vervallen stad Gaza toe, welke Bernard herbouwde met de Tempeliers.

In 1153 namen de Tempeliers deel aan de Slag van Ascalon, een vestiging die werd overheerst door Egypte. De Tempeliers bouwden een belegeringstoren om de stad in te kunnen nemen. De Egyptenaren staken de belegeringstoren in brand, maar door de wind kwam het vuur in contact met de muren van Ascalon waardoor een gedeelte van de vestiging afbrandde.

Volgens de historicus en chronoloog Guillaume de Tyre gingen de Tempeliers de stad binnen zonder dat Bernard hiervan op de hoogte was. Bernard had de andere kruisvaarders verboden de stad binnen te gaan, omdat hij niet wilde dat de geplunderde goederen in handen van de koning zouden vallen. Bernard en ongeveer veertig van zijn Tempeliers vonden uiteindelijk de dood. Ze waren niet opgewassen tegen de overmacht van het Egyptische garnizoen. Hun lichamen werden op de muren geplaatst en hun hoofden werden naar de sultan gestuurd. Sommige modernere bronnen zeggen dat het beeld van Guillaume de Tyre enigszins vertroebeld was, omdat hij zich baseerde op de bronnen van de legeraanvoerders, waarin ze aangaven waarom ze de Tempeliers niet volgden in de stad.

Een paar dagen later nam Boudewijn III de vestiging in. Kort daarna stelden de Tempeliers André de Montbard aan als Grootmeester.

Hugues, chatelain de Saint-Omer, sn de Fauquemberghes
Omstreeks 1140 krijgt de tempelorde de parochie Leffinge (met bijbehorende rechten, gronden en gebouwen) van de Vlaamse adellijke familie de Fauquemberghes, die in 1118 de orde mee had opgericht. Het eerste centrum van de tempeliers is het huis Ten Dike, gelegen aan een oude getijdengeul in het noorden van Leffinge. De tempelorde blijft bezittingen verwerven en drukt haar stempel op de sociale, economische en religieuze topografie van het middeleeuwse landschap.

Everard des Barres

Everard des Barres ook Eberhard von Barres, maar Eberhard De Bären (gestorven 1174) was de derde grootmeester van de Orde der Tempeliers van 1147 tot 1151.

Als leermeester van de Tempeliers in Frankrijk vanaf 1143, was hij één van de hoogwaardigheidsbekleders van de Orde toen Robert de Craon in 1147 stierf. Hij werd gekozen om Robert op te volgen, en zodra hij werd verkozen, begeleidde hij Lodewijk VII van Frankrijk op de Tweede kruistocht, en was onder degenen die vooruit werden gezonden naar Constantinopel vóór Lodewijks aankomst. Hij redde Lodewijk later tijdens een slag met de Seltsjoekse Turken in Pisidia.

Volgens chroniqueur Odo de Deuil, was Everard uiterst vroom en moedig. Hij lijkt ook een sterke invloed op Lodewijk gehad te hebben. Na het falen van de kruistocht bij de Belegering van Damascus in 1148, keerde Lodewijk terug naar Frankrijk, gevolgd door Everard, die verantwoordelijk was voor de schatkist van de koning. De Tempeliers van Everard bleven achter en hielpen bij de verdediging van Jeruzalem tegen een Turkse inval in 1149.

Terug in Frankrijk, trad Everard in 1151 officieel terug en werd een monnik in Clairvaux, ondanks de protesten van de Tempeliers. Hij werd opgevolgd door Bernard de Tremelay (die de Orde eigenlijk al sinds het vertrek van Everard in 1149 leidde) en stierf in 1174.