Tomar, ontdek de het historische Midden-Portugal

Wie langs de historische straten van Tomar of aan de oever van het dicht begroeide, in de rivier badende park wandelt, verliest de tempeliersburcht nooit uit het zicht. De UNESCO verklaarde dit monument "Erfgoed van de Mensheid" een unicum in de Geschiedenis van het Westen dat symbolen draagt van de openheid van Portugal ten opzichte van andere beschavingen.

Op deze weblog vindt u alle inspiratie voor een zoektocht naar de geschiedenis van de Tempeliers. Laat u fantasie de vrije loop met informatie over geheime genootschappen, verborgen symbolen en historische bezienswaardigheden. Uw verblijf krijgt een meerwaarde net een zoektocht naar de geschiedenis van kunst, spiritualiteit, cultuur en architectuur. Kom naar Midden-Portugal en bezoek de belangrijkste monumenten, die getuigen zijn van een lange historie. Bij Casa Agradavel kunt u de Portugese gewoonten en gastvrijheid meemaken door te overnachten in een landelijke accommodatie. Het zullen onvergetelijke momenten worden!



Story of knights templar in a nutshell



Lost Worlds: The Knights Templar



Examining places associated with the Knights Templar, including the city of Tortosa, now covered by the modern Syrian city Tartus; and their headquarters at the Temple Mount in Jerusalem. Narrated by Corey Johnson.







National Geographic - The Knights Templars



Knights Templar is an international philanthropic Masonic order affiliated with Freemasonry. In some countries it forms part of the York Rite, while in others it is a separate order on its own. In the mid 1700s the Freemasons began to incorporate symbols and traditions of the medieval Knights Templar. The original medieval Order of Knights Templar was established after the First Crusade, and existed from approximately 1118 to 1312. There is no known historical evidence to link the medieval Knights Templar and Masonic Templarism.

History of the Templar knights

Olalhas en Alqueidão

Olalhas is een plaats (freguesia) in de Portugese gemeente Tomar en telt 1581 inwoners (2001).

In 1159 werd Olalhas geschonken door D. Afonso Henriques aan de Tempeliers. De parochie is een bijzonder cultureel erfgoed. De moeder kerk, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van de bevruchting, werd waarschijnlijk gesticht door de Tempeliers.

Alqueidão ligt sinds het onstaan van het stuwmeer op een landtong in de Zêzere, waar het meer en haar oevers worden vermengd met een uitbundige vegetatie.
Olalhas is een mystieke omgeving met een magische uitstraling, waar de historische zintuigen voortdurend op de proef worden gesteld. Het bezit van deze cultuur en geschiedenis is één van de belangrijkste troeven van de parochie. In het landschap ligt in de erfenis van verdwenen koninkrijken, bewijzen van eerdere volkeren, tradities en legendes.

The Red Cloak

The devil with terrified eyes and jaw dropped open in shock, guards the entrance at Rennes-Le-Chateau. He does not want anyone to know about the truth hidden in these Gothic Cathedrals. He wishes for the mystery to be hidden forever in the tombs. But a girl, linked with Mary Magdalene, receives the Volume of Providence sent through Mary Magdalene straight from Jesus. The revealing of the deep, dark secret shocks the devil, and he knows that his end is very near. He scrambles to yet cover the truth with violence through evil leaguing with evil in a conspiracy. Mary Magdalene's stories in the Holy Scripture offer some important clues to the mysteries of Rosslyn, the Lincoln Cathedral, Rennes-le-Chateau, Shugborough and the Knights Templars. History reveals a lot, because history repeats and repeats. The Freemasons have kept a secret for centuries, but now it is like an open book. It is no longer a secret, because its stories are actually happening. The Red Cloak is with us today.

Het enigma van Rennes-le-Château

Wat was het geheim van de Tempeliers en hoe is het verbonden met het enigma van Rennes-le-Château?

De Tempeliers, een overzicht

We gaan terug in de tijd en wel naar de periode 1099 (de eerste kruistocht) - 1112. Een klein groepje riddermonniken stichten de kloosterorde 'Ordo Supremus Militaris Templi Hierosolymitani', oftewel, de Tempeliers (ook wel bekend als "Militia Templi" of "Les Pauvre Chevaliers du Temple"). Zij legden een gelofte van armoede af en hun zegel, de twee ridders die één paard delen, is zelfs vandaag de dag nog herkenbaar als het symbool van de (arme) Tempeliers. Ondanks deze gelofte werden de Tempeliers al gauw zeer machtig. Door de charismatische sfeer die de Orde uitademde, sloten veel rijke hooggeboren ridders zich bij de Orde aan en omdat zij al hun eigendommen aan de Orde moesten afgeven, werd de Orde der Tempeliers al gauw heel rijk. Men vermoedt ook, dat deze 9 ridders de 9 afstammelingen waren van het koningshuis van Juda, ook bekend als de negen ringheren, die in de eerste eeuw van onze jaartelling uit Palestina vluchtten naar landen als Turkije, Cyprus, Malta en Frankrijk. Dit gegeven zou hen de zegen van de Roomse kerk hebben gegeven en carte blanche van de paus zelf. Zij hoefden geen belasting te betalen en binnen enkele decennia was de Orde geweldig rijk en machtig. Zij beheersten het grootste banksysteem dat de wereld ooit had gezien. Zij bouwden forten op strategische plaatsen en handelsroutes en hieven belastingen van degenen die wilden passeren, of hun bescherming nodig hadden. Hun financiële en militaire onafhankelijkheid zorgde ervoor dat ze werden gevreesd door koning en kerk. Zij gehoorzaamden niemand. Het feit dat de koning veel schulden bij hun had, leidde tenslotte tot de ondergang van deze elite ridderorde. Maar hier is hun geschiedenis nog niet mee verteld.

Veel legenden cirkelen om hun historie. Waarom vormden de negen heren de Orde der Tempeliers? (Het getal 9 refereert naar een heilig getal (3 x 3 is hoogheilig) maar het is fictief en was enkele malen groter. Maar omdat 9 een 'heel' getal is, volstaat dit in de overlevering. Soms worden er op Middeleeuwse fresco's slechts negen apostelen afgebeeld, hetgeen betekent dat 'ze er allemaal waren'). Waarom namen de Kruisvaarders in de vroege 12de eeuw Jeruzalem in, ineens, na ruim duizend jaar? Na het veroveren van Jeruzalem aan het einde van de Eerste Kruistocht in de vroege 12de eeuw beloofden Hughes de Payens en zijn "acht" kameraden in aanwezigheid van de Patriarch van Jeruzalem om het christelijke koninkrijk te verdedigen. Dit christelijke koninkrijk werd vanuit Jeruzalem bestuurd en in de voetsporen van Salomo en Jezus zou hier een nieuwe koning worden gekozen. Zij kwamen voor het eerst sinds de oudheid zeer dichtbij de geheime kelders van de Tempelberg. De Tempeliers waren Cisterciënzer monniken en werden beschermd door Cisterciënzer vader Bernardus van Clairvaux. Hij geloofde dat de Ark des Verbonds onder de Tempelberg was verstopt en het was op zijn advies, dat de tempelridders in het geheim begonnen te graven onder de tempelberg. Tijdens hun verblijf in het Midden-Oosten kwam men voor het eerst in aanraking met de oude kennis en wijsheden van het oosten, oude zeekaarten en waarschijnlijk ook met de ware geschiedenis van de eerste eeuw. Veel van deze dingen werden geheim gehouden en in wezen keerden de Tempeliers zich zelfs van de Roomse kerk af. Hun droom was een eigen staat te stichten, hier, in Occitanië.

Het is opvallend dat de Tempeliers Occitanië uitkozen om hier hun eigen staat te stichten. Occitanië was relatief veilig voor velen, die er andere ideeën op na hielden.

Met de opkomst en bloei van de Tempeliers ontstonden de grote kathedralen van Europa. Zij introduceerden de Gotische stijl (Gotiek betekent "geheim" en heeft verder dus niets met de Visigothen te maken). De Vrijmetselaars waakten over de geheime kennis van getal, maat en gewicht. De Arthur- en Graalverhalen vormden de belangrijkste literatuur, die grotendeels dankzij de populaire troubadours door Europa werd verspreid. Chretien de Troyes was bekend van zijn werk over de Heilige Graal, genaamd: Conte del Graal, hetgeen aan het eind van de 12de eeuw werd geschreven. Dit is de best bewaarde en de eerste tekst die vertelt over de Heilige Graal. Het thema van de Heilige Graal dus, een avontuur, welke ons leidt naar het kasteel van de gewonde koning. Daar was een processie, geleid door maagden, die een object genaamd de Heilige Graal op handen droegen door de zalen van het kasteel. In dit verhaal gaat het over een schaal maar veel meer is hier niet over bekend. Het verhaal is namelijk nooit afgeschreven door de vroegtijdige dood van Chretien.

In deze versie van de Heilige Graal wordt er niet gesproken over een heilig relikwie, noch wordt het in verband gebracht met de eucharistie, noch het heilige bloed van Christus. Chretien de Troyes was geen Grootmeester van de Tempeliersorde, en hij was ook geen Tempelier. Wel heeft hij verhalen opgetekend van zuidelijke troubadours uit Occitanië. Daaronder kan goed dit originele Graalverhaal hebben gezeten. In dat geval zou het verhaal afkomstig zijn uit Occitanië. Dit werpt ook een ander licht op de oorsprong van alle Graallegenden.

In bovenstaande Middeleeuwse periode werden belangrijke relikwieën vereerd (men noemt de Ark van het Verbond, de Lijkwade van Jezus, één van de kristallen van Mozes, de Graal of drinkbeker van Jezus en het hoofd van Johannes de Doper) en sommigen van deze relikwieën werden zelfs in het geheim meegedragen, omdat ze niet door de RKK werden erkend. De angst die de RKK begon te krijgen voor de opkomst van andere geloofsrichtingen die razendsnel veel populairder werden dan het katholieke christendom met zijn strenge leer en dogma's, zorgde ervoor dat er maatregelingen werden genomen. Allereerst probeerde men het met concurrentie, het introduceren van heilige relikwieën in de nieuwe kathedralen en kerken, men introduceerde de Graalverhalen en maakte enorm veel promotie voor het katholieke geloof. Maar in Occitanië maakte dit niet veel uit.

In de 13de eeuw werden er nieuwe kruistochten georgani-seerd, die dit keer niet naar het Beloofde Land gingen (in 1244 was Jeruzalem al weer in handen van de moslims gevallen) maar naar Occitanië, waar ze de Katharen en hun bescherm-heren moesten vernietigen. De koning zelf was er niet zo voor, maar de paus eiste zijn medewerking. De eerste kruistocht naar Occitanië, grotendeels geleid door Simon de Montfort, mislukte. Occitanië werd heroverd en voor een korte tijd waren de Katharen relatief veilig. Maar toen werd er een tweede kruistocht geor-ganiseerd door de paus, onder een nieuwe Franse koning. Dit keer ging het echter niet alleen om de Katharen. Het ging ook om Occitanië, en de bezittingen en goudmijnen van de Tempelridders. In 1244, het jaar dat Montsegur viel, werd Jeruzalem door de Moslims heroverd en Rome was boos. Occitanië werd dit keer definitief veroverd en aan de Franse kroon toegevoegd. Ondanks deze overwinning bleef de jacht op de Katharen (ook wel ketters genoemd) bestaan. Een halve eeuw later werden ook de Tempeliers beschuldigd van ketterij. Velen werden verbannen of kwamen op de brandstapel terecht. Op vrijdag 13 oktober 1307 werden in heel Frankrijk Tempeliers gearresteerd. We herinneren ons deze datum nog goed, omdat de vrijdag de dertiende nog steeds een ongeluksdag is. De orde werd officieel opgeheven en hun bezittingen werden overgedragen aan de Hospitaalridders. Maar niemand kon hun schatten vinden.

Terwijl in o.a. Portugal een groepje Tempeliers onder een andere naam verder ging (de Orde van Christus), kon men in Schotland echter nog wel bestaan. Bewezen is, dat de Tempeliers tenminste (!) nog 250 jaar in de oude samenstelling in Schotland heeft bestaan. De kapel van St. Rosslyn in Schotland is zelfs vandaag nog een puzzel voor de kenners van de symboliek. Gebruik makende van hun gevonden zeekaarten stichtten zij Nova Scotia, Nieuw Schotland, waar volgens een legende een groot deel van hun schat zou liggen. Maar ook in de talloze grotten van Occitanië liggen grote delen van hun rijkdom te wachten op een moderne Indiana Jones.

Een van deze moderne Indiana Jones figuren was Otto Rahn. Geen stoere cowboyhoed dragende held, maar een zachte man met liefde voor Occitanië en de geschiedenis van het gebied, dat de Graal legenden overlapt.

Zijn boeken, die hij begin dertiger jaren schreef, zijn nu in het Engels vertaald en vormen een idee van Rahn's idee over de Graal.

Net als de Katharen zijn er nog steeds Tempeliers-groeperingen die zich bezighouden met positieve elementen in de maatschappij, zoals ridderlijkheid, deugdelijkheid en het bestuderen van wijsbegeerte. Deze Neo-Tempeliersgroeperingen bestaan deels uit prachtige ordes die het goede promoten, maar ook uit ordes die alleen maar lucht bevatten. Vele jaren geleden was er zelfs een zeer kwaadaardige orde bij. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog vormde Himmler een Nazi-Neo-Tempeliersorde, die duistere daden deed. Himmler had zelfs Rahn de opdracht gegeven om voor hem de Graal in Occitanië te gaan zoeken. De gebeurtenissen rond de Tweede Wereldoorlog en de strijd tussen goed en kwaad hebben waarschijnlijk ook Tolkien beinvloed bij het schrijven van zijn prachtige en recentelijk verfilmde trillogie "Lords of the Rings", geschreven in de jaren 1954 en 1955.

Macht in de handen van mensen is niet altijd veilig. Waarschijnlijk waren de nieuwe Tempeliersordes geinspireerd door de opera van Händel "De Heilige Graal", waarvan Hitler groot bewonderaar was. Maar of er daadwerkelijk een dergelijke orde heeft bestaan is nooit bewezen. Wel is bewezen, dat Hitler dit beeld voor ogen had bij het formeren van de SS. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de ware Orde der Tempeliers, toentertijd geleid door Grootmeester Isaac van de Burgh, overgegeven in handen van graaf Sousa Fontes in Portugal, ter bescherming tegen de Nazi's.

Maar we weten nog steeds niet of de Tempelridders nu wel of niet de Ark des Verbonds hebben gevonden. We kunnen alleen maar speculeren dat zij het spoor hebben gevolgd naar Ethiopië en de Ark, samen met andere objecten uit Jeruzalem, naar Frankrijk hebben gebracht, waarschijnlijk tegen het eind van de 12de eeuw. Documenten zouden deze theorie kunnen bewijzen, evenals de vele sporen in het Franse landschap. Terwijl de vechtende monniken vaak alleen maar sterke mannen met zwaarden waren, was er een elite top in de Orde, die kennis en grote rijkdom bezat. Het is deze kleine groep van Grootmeesters en adellijken, die de wereld en zijn maatschappij voor een volgende duizend jaar zouden gaan beinvloeden, duizend jaar van legende, van verhalen van moed, maar vooral van mystiek.... De huidige orde der Tempeliers (OSMTH) verricht, met toestemming van de Franse regering, sinds 1998 weer onderzoek in Rennes-le-Chateau.

Met dank aan OSMTH, de huidige Orde der Tempeliers, en in het bijzonder aan Chevalier Vincent Siegfried Sterring, KOT, hon.OStSS.

De Orde der Tempeliers (OSMTH)
Ordo Supremus Militaris Templi Hierosolymitani
Het OSMTH is gebaseerd op een aloude Christelijke broederschap en is een internationale gemeenschap van oecumenische Christenen die zich bezig houdt met mensenrechten, vrede, religieuze en politieke vrijheid.

Het doel is het bewerkstelligen van een intercultureel en interreligieus contact, het bestuderen en het ten uitvoer brengen van dit wederzijds begrip door het leggen van bruggen tussen de diverse religies en beschavingen. Met haar netwerk van politici, adel, militairen, diplomaten, geestelijken, sociologen, medici, geschiedkundigen en werktuigbouwkundigen; is het OSMTH in staat zich te profileren op een uitermate hoog niveau en oefent met deze expertise druk uit om vrede en veiligheid in de wereld te bewerkstelligen. De OSMTH is een geregistreerde NGO (Niet Gouvernementele Organisatie) van de Verenigde Naties en lid van het (International Peace Bureau) IPB.

Bron: Panoccitania

Tomar: 1319 - 1550

De Tempelier als financier, ontdekkingsreiziger en prediker van 1319 tot 1523.

In 1319 stichtte koning Dinis de Portugese tak, de ‘Ordem da Cavalaria do Templo’ (kortweg ‘Templarios’) welke zijn zetel in Tomar had. Na de definitieve verdrijving van de Moren kreeg de orde een nieuwe opdracht: de vergroting van de Portugese koninklijke macht, Hendrik de Zeevaarder en Manuel I werden grootmeesters en konden zo de orde gebruiken voor hun idealen, de orde financierde de ontdekkingsreizen en verzorgde de bekering tot het christendom van de óngelovigen’. Haar symbool het achthoekige, rode kruis (overgenomen van de tempeliers) werd een begrip. Het was onderdeel van het wapen van Manuel I en het sierde elk zeil van de karvelen van de ontdekkingsreiziger.

De Tempelier als monnik van 1523 tot 1910.

Na deze roemruchte periode werd haar macht echter beperkt, doordat Joäo III in 1523 bepaalde dat het religieuze aspect weer de boventoon moest gaan voeren. De orde werd weer een zuivere monniksorde. In 1789 volgde de secularisatie en bij de val van de monarchie in 1910 werd de orde opgeheven.

De Portugese Gouden Eeuw van 1495 tot 1521.

Portugal was in de roemruchte periode de voornaamste maritieme en koloniale Europese mogendheid. Het bezat het monopolie op de handel van de specerijen en het kreeg de beschikking over Afrikaans goud en ivoor, Braziliaans suikerriet, Chinese zijde en Perzische tapijten. Lissabon werd als schakel tussen Europa, Azië, Amerika en Afrika de stapelplaats van allerhande exotische waar. In de eerste jaren stroomde het geld binnen: de Século de Ouro (= de Gouden Eeuw) was aangebroken. De koning die hier het meest van profiteerde was Manuel I ‘o Venturoso’(= de Gelukkige, 1495-1521).

De uittocht van 1521 tot ca 1550.

Schaduwzijden had deze Gouden Eeuw, die lang geen 100 jaar duurde, ook in grote mate en de keerzijde van het bezit van zo’n enorm imperium voor zo’n klein land kondigde zich al aan. In korte tijd raakte Portugal bijna de helft van zijn bevolking kwijt: het aantal Portugezen liep terug van twee naar één miljoen. De akkers kwamen braak te liggen en levensmiddelen moesten ingevoerd worden. Manuel I en zijn opvolgers, die vrouwen uit Spanje als echtgenotes kozen, gingen onder druk van de Spaanse religieuze fanatici over tot de vervolging van ‘mudéjaren’ (Moren die na de ‘Reconquista’ waren gebleven, letterlijk ‘zij die mogen blijven’) maranen (onder dwang christelijk geworden joden) en joden. Door de gedwongen vlucht van de joden (door de invoering van de inquisitie in 1536) naar de Nederlanden en Duitsland werd aan het land kennis en kapitaal onttrokken.

De Tempelorde in Nederland

Over de aanwezigheid van de Tempel in Nederland is weinig bekend. Dit in tegenstelling tot de kennis over haar aanwezigheid in andere landen.

Met betrekking tot de Tempelorde bestaat een grote hoeveelheid literatuur. De hoedanigheid ervan loopt uiteen. Een deel is romantiserend en mystificerend van aard. Deze publicaties zeggen dikwijls meer over de voorkeur en de pretenties van de auteurs dan over de Orde van de Tempelridders. Daarnaast hebben veel kritisch ingestelde historici zich met het onderwerp bezig gehouden. Hoewel het eigen archief van de Tempelorde verloren is gegaan, zijn intussen meer dan 145.000 documenten uit de tijd van, en met betrekking tot de Orde - schenkingsoorkonden, brieven, verslagen van rechtszittingen, verslagen van kapittelvergaderingen, pauselijke bullen, enz. - aan het licht gekomen. Veel studies handelen over de Orde in het algemeen. Daarnaast zijn er talrijke publicaties over bijzondere aspecten: over individuele commanderijen, over de aanwezigheid van de Tempelieren in bepaalde streken en landen, over militaire en bancaire activiteiten, enz..
In merkwaardig contrast hiermee staat, dat over de aanwezigheid van "De Tempel" in Nederland nauwelijks iets werd geschreven en dat er klaarblijkelijk ook maar weinig over bekend is. Bijvoorbeeld: uit ons land is waarschijnlijk slechts een enkele tempelridder naar naam en afkomst bekend. Totaal anders ligt dit in Vlaanderen. Een van de twee grondleggers van de Orde was een Vlaming. Twee grootmeesters stamden uit Vlaanderen. In het algemeen speelden Vlaamse ridders in de Tempelorde een prominente rol. Over hen en over meerdere commanderijen uit Vlaanderen is veel bekend. Ook over de aanwezigheid van de Orde in landen als Frankrijk, Engeland, Italië, Duitsland en Hongarije is veel, soms zeer veel, gepubliceerd.


Enkele stemmen uit de literatuur met betrekking tot de Tempelorde in de Noordelijke Nederlanden.

Reeds in 1311 had Clemens V den aartsbisschop van Keulen en diens suffraganen, derhalve ook de bisschop van Utrecht, een schrijven doen toekomen, waarin dezen prelaten opgedragen werd, naar de ketterij en overige zonden der orde in hunne dioecesen onderzoek te doen, terwijl hun daarenboven berigt werd, dat zekere commissarissen, waaronder de deken van St. Servaas te Maastricht, hun in dat onderzoek van ’s pausen wege zouden bijstaan. Dat aan dit bevel ook door Guy van Avesnes, te dien tijde hoofd van ons bisdom, en door de bisschoppen van Luik en Munster gevolg gegeven werd, laat zich naauwelijks betwijfelen, hoezeer ons van de bedrijven dezer mannen in de zwaarwigtige aangelegenheid niets bekend is. Dit is in allen gevalle zeker, dat de orde der tempelieren ook op onzen bodem sedert 1312 opgehouden heeft te bestaan, en dat hunne goederen te Haarlem, gelijk die van het huis tusschen Aarle en Rixtel en waarschijnlijk ook van andere gestichten, voor zooverre zij niet in handen van hebzuchtige grooten kwamen, wat in naburige landen maar al te veel geschiedde, aan de St.Jansridders zijn gebracht. Dat tijdens het proces gevangenneming der ridders heeft plaats gehad, is waarschijnlijk, en bij verzet van hunne zijde, bloedstorting, is mogelijk. Maar het avontuurlijk volksverhaal, dat te Zierikzee bewaard bleef, volgens hetwelk aldaar al de tempelheeren op één nacht vermoord worden, terwijl slechts twee hunner den dood ontsnapten, naardien zij in de ure des gevaars niet in hun gesticht maar in een bordeel vertoefden – deze overlevering, waarvan ook elders in ons land en daarbuiten analogiën voorkomen, is wel niet meer dan een naklank van den indruk, dien het tragische lot van de voormaals zoozeer gevierde orde op het gemoed der groote menigte maakte, en tevens een bewijs, dat de menigte, al gevoelde zij meêwarigheid voor de ridderschaar, die na zooveel roems in oneer onderging, aangaande de zedelijkheid der tempelheeren alles behalve gunstige gedachten koesterde. Wat van de ridders te Haarlem wordt berigt, dat niet alleen hunne goederen, maar ook de broeders zelve in het gesticht der St.Jansridders aldaar overgingen, is welligt ook elders geschied, waar de veroordeelden zich aan het gewezen vonnis onderwierpen en zich boetvaardig betoonden.”

“Ook de ridderorden vestigden zich in het hier behandelde tijdperk in ons land. Er waren er voornamelijk drie: de tempeliers, de johannieters en de Duitse orde. Alle drie hadden de beoefening van de naastenliefde in hun vaan geschreven en wel in het bijzonder verpleging en verzorging van pelgrims. Daarbij waren al spoedig militaire verplichtingen gekomen: verdediging van het Heilige Land, strijd tegen de ongelovigen, ook in Pruisen, en beveiliging van de wegen. Dit zal eenmaal zó geweest zijn, maar de overgeleverde bronnen vermelden ten aanzien van de Nederlandse huizen zeer weinig daarvan. In het algemeen is van de eerst tijd bijna niets bekend. Wat er van vermeld is duidt niet bepaald op militaire en ridderlijke activiteit, veel meer op het kloosterleven, als het zingen van getijden, het beoefenen van de zielzorg in de aan hen geschonken parochies.

Van de tempeliers weten we eigenlijk slechts dat de Nederlandse huizen verdwenen, toen de orde in 1311 werd opgeheven. Deze bracht het echter vóór die tijd hier tot minstens twaalf nederzettingen, misschien wel meer, maar zelfs het bestaan van verschillende huizen is problematisch. Zij vestigden zich in kleinere plaatsen, als Alphen in Noordbrabant, Beek in Limburg, Lage-Mierde, Rixtel, op Texel, te Zaandam maar ook enkele in grotere dorpen of steden zoals Beverwijk, Haarlem, Maastricht en Zierikzee.

Hoe hebben deze huizen er uitgezien? Waren het burchten of eenvoudige woningen? Uit welke standen kwamen de bewoners voort? Waren het merendeels ridders, of mannen van burgerlijke afkomst? Leidden zij een ridderlijk leven of een eenvoudig kloosterleven, weinig verschillend van dat van de cisterciënzers? Op al deze vragen moeten wij het antwoord schuldig blijven”.

Koert ter Veen schreef: "De tempeliers. Afrekening met een legende"; tot voor kort de enige monografie over de Tempelorde in de Nederlandse taal. Hij vermeldt daarin over Nederland, dat in de zeventiende eeuw in ons land allerlei verhalen over de bezittingen van de Tempeliers verschenen. Deze belangstelling zou mogelijk een tendentieuze basis hebben gehad. De onverkwikkelijkheden rond het proces tegen de Orde zouden een gereed aanknopingspunt hebben geboden voor kritiek op de Rooms-katholieke Kerk.

Een recente monografie in de Nederlandse taal – verschenen in 2005 - is de studie “De Tempeliers. Huurlingen van de Paus” van de Vlaamse auteurs Yves van Buyten en Willy Vanderzeypen. Het werk onderscheidt zich door de aandacht die geschonken wordt aan de Katharen en aan de wel veronderstelde relatie tussen hun opvattingen en die van de Tempelorde. Het bestaan van een dergelijk verband wordt door de schrijvers met beslistheid van de hand gewezen. “De beschuldiging van een theologische connectie tussen het gedachtegoed van de tempeliers en de principes van de katharen is door de koninklijke advocaten verzonnen om de tempeliers in een ketters daglicht te stellen. De tempeliers waren voor de katharen soldaten van Satan”.

Het voor het katharisme zo kenmerkende dualisme levert in dit werk het stramien voor de beschrijving van de situatie van de middeleeuwse Christelijke kerken. De vrije, vredelievende en zachtmoedige Kathaarse kerk wordt gezien als een expressie van het goede principe. De op macht beluste kerk van Rome ontwikkelde zich daartegenover tot representant van het kwaad. Met de kruistochten kwam haar ware aard aan het licht. De Tempelorde vormde daarbij het noodzakelijke militaire machtsapparaat,.......”huurlingen van de paus”.

Met betrekking tot de Tempel in het huidige Nederland vermeldt de tekst een aantal vestigingen, soms met enige nadere bijzonderheden. Als vroegste wordt genoemd: de commanderij “Ter Brake” te Alphen, stammend uit 1144. Hiervan wordt gezegd, dat ze uitgroeide tot het bestuurlijk centrum van de Tempeliers in de Noordelijke Nederlanden, van waaruit eigendommen in Aarle-Rixtel, Heusden, Middelburg, Zierikzee, Haarlem, Beverwijk en Texel beheerd werden. Genoemd worden verder: de vrij grote commanderij te Zaamslag, bezittingen te Axel, Hulst, Dordrecht, Berkel en mogelijk in Oosterhout.

Gewezen wordt op de bescheiden aanwezigheid van de Tempelorde in Nederland. Deze wordt verklaard uit de sociaal-economische en culturele achterstand toentertijd. Geconstateerd wordt het hiermee samenhangend gemis aan geschreven bronnen. Typerend zijn de volgende zinsneden: “In de noordelijke Nederlanden was de tempel amper of niet aanwezig in vergelijking met het hospitaal en de teutonen. De grote afstanden tussen deze bezittingen lijken te wijzen op een weinig dicht netwerk van de orde in de noordelijke Nederlanden. Een hoofdprobleem voor de historische verificatie van tempelmeldingen in de noordelijke Nederlanden is het gebrek aan authentieke oorkonden.” en “Het structurele gebrek aan authentieke documenten zal het historisch onderzoek van de\tempelorde in de noordelijke Nederlanden blijven hinderen.”


In 2006 verscheen van de hand van Jan Hosten: “De tempeliers. De tempelorde tijdens de kruistochten en in de Lage Landen”.

De auteur streeft in dit werk naar een genuanceerde onbevooroordeelde benadering en waar nodig een herschrijving van de geschiedenis van de Tempelieren, mede op grond van eigen research. Zoals de ondertitel aangeeft, hij probeert ook een eerste aanzet te geven tot een compleet overzicht van “het tempelierspatrimonium van de Lage Landen”, d.w.z. een overzicht van de goederen in België, Nederland, Noord-Frankrijk en Luxemburg, die in oorsprong puur eigendom van de Tempelorde waren.

Al met al, een oorspronkelijk werk over de Tempelorde in de Nederlandse taal, dat systematisch aandacht schenkt aan het gebeuren in de Lage Landen.

bron: De Nieuwe Tempelieren

Columbus-ridders starten noveen voor de paus

(Redactie RKK:) 11 april 2010 - De internationale rk-vereniging Knights of Columbus is vandaag begonnen met een noveen voor Benedictus XVI. De organisatie wil zo de paus steunen in een tijd dat hij en de RK-Kerk onder vuur liggen vanwege het omvangrijke misbruikschandaal.

"Wij bidden voor de paus en voor zijn pastorale missie. We vragen God in deze zeer moeilijke tijd om onze geliefde Heilige Vader te beschermen, te sterken en te ondersteunen", aldus bisschop William Lori, hoofdaalmoezenier van de Knights.

Het negendaagse gebed start vandaag op de Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid en eindigt op 19 april, de vijfde verjaardag van de pausverkiezing van Benedictus XVI.

De Knights of Columbus is de grootste particuliere katholieke serviceorganisatie ter wereld. Ze telt meer dan 1,7 miljoen leden. De broederschap werd in 1882 in New Haven, Connecticut, opgericht door de Iers-Amerikaanse priester Michael McGivney. Hoewel de organisatie zichzelf een orde noemt, heeft ze niet dezelfde status als de ridderordes van Malta of van het Heilig Graf.

Opvolgers of fantasie?

De Orde der Tempeliers, ontstaan tijdens de kruistochten, werd in 1312 door Paus Clemens V bij de pauselijke bul Ad Providam Christii Vicari verboden en ontbonden. Een aantal leden, waaronder de leider Jacques de Molay werd ter dood gebracht. Alleen in Schotland en Portugal kon de orde nog enkele eeuwen voortbestaan, maar de orden daar waren in de zestiende eeuw verdwenen.

Maar toch zijn er nu nog steeds organisaties die aangeven een rechtstreekse voortzetting te zijn van de orde die tot de veertiende eeuw actief was.
In 1840 verscheen een boek, Règles et Statuts Secrèts des Tempeliers, geschreven door C.H. Maillard de Chambure. In dit boek probeert de auteur aan te tonen dat er een geheim document is, een zogenaamde Charte de Transmission, waarin Jacques de Molay voor zijn dood de macht over de orde heeft overgedragen aan ene Marc Larmenius. Deze Larmenius is aan vervolging door de Katholieke Kerk en de Franse koning ontkomen en heeft de orde in 1314 voortgezet.
Deze Charte de Transmission wordt door geen enkele serieuze historicus als echt erkend. Algemeen wordt aangenomen dat deze Charte pas veel later (begin 19e eeuw) is opgesteld om de toen ontstane orde een authentiek aureool te bezorgen.
Tot in de eerste helft van de twintigste eeuw leed de orde een kwakkelend bestaan, waarbij verschillende orden werden opgericht en weer ontbonden. In de jaren twintig van die eeuw ontstaat in België een orde, die, ondanks een verbod in 1933, blijft functioneren. Onder druk van de dreiging van de Tweede Wereldoorlog werd het hoofdkwartier van die orde naar het neutrale Portugal verplaatst. In 1942 wist Don Antonio Campello Pinto de Sousa Fontes de macht naar zich toe te trekken; hij werd regent van de orde. Onder zijn leiding werd de orde stevig uitgebouwd. Na de oorlog krijgt de orde stevige voet aan de grond in west-Europa en met name in Portugal, Frankrijk en Duitsland.
In 1960 overleed De Sousa Fontes en werd hij opgevolgd door zijn zoon, Don Antonio Campello Pinto Pereira de Sousa Fontes. De naam wordt gewijzigd in Orde Supremus Militaris Templi Hierosolymitani.

In 1991 werd door Holke Flapper uit Helmond de Groot-Priorij Nederland van de Tempeliers opgericht. Flapper was eerder Plaatsvervangend Substituut Grootmeester-Generaal van de Internationale Ridderlijke Orde van de Roos en het Kruis van Jeruzalem. In 1995 trok Flapper zich terug en werd hij vervangen door Huib Eversdijk, oud kamerlid voor het CDA en tegenwoordig senator voor die partij. Eversdijk is sinds die datum groot-prior. Tegelijkertijd richt hij nog een tweede groot-priorij in Nederland op, de groot-priorij Terra sub Mare. Beide groot-priorijen bestaan nu naast elkaar. In het bestuur van beide groot-priorijen zit een vrijmetselaar, Sjoerd Buisman.

Als gevolg van de strakke leiding die vanuit Portugal werd gegeven en als gevolg van een aantal schandalen splitste zich in de jaren 70 van de 20e eeuw een aantal landelijke afdelingen van de orde af. In 1989 groepeerden de meeste van deze afdelingen zich tot een Internationale Federatieve Alliantie. Sinds 2000 heeft deze tak van de orde, die zich overigens met dezelfde naam tooit als de tak onder leiding van De Sousa Fontes, ook een priorij in Nederland. Deze afdeling is vanuit Engeland opgezet en wordt nog steeds vanuit Engeland bestuurd.
Deze afsplitsing van de orde heeft een afwijzend standpunt ten opzichte van vrijmetselaars: “Vrijmetselarij is niet verenigbaar met het Christelijk geloof. De Catholic Encyclopedia maakte het volgende statement, “Vrijmetselarij profileert zich in alle facetten als een religie daardoor heeft het en dergelijke status verworven maar verwerpt iedere vorm van het evangelie, en is daardoor niet verenigbaar met het Christendom. De vrijmetselarij heeft tempels, het gebed, een moraal theologie, aanbidding, feestdagen en de belofte van leven na de dood, zij kent een hiërarchie en een begrafenisrite.”
“De vrijmetselarij is een geheim genootschap. En de initialisering is gebaseerd op een heilige bloedrite waarbij men een geheim eed moet zweren. De vrijmetselaar moet zweren dat hij slachtoffer wordt van automutilatie of een gruwelijke executie wanneer hij de triviale geheimen van de vrijmetselarij prijs geeft. (gelukkig zijn er maar weinig vrijmetselaars welke wensen dit te doen aan zichzelf of een ander).”
De Orde der Tempeliers in Nederland scharen zich achter dit statement.”

De Orde van Tempeliers is een van de ridderorden die zich tegenwoordig probeert te profileren. Daarbij doen ze zich een stuk mooier en interessanter voor dan dat ze zijn. Op hun website pronken ze met het Koninklijk Wapen, waar ze, volgens de Rijksvoorlichtingsdienst geen toestemming voor hebben.Zonder deze uitdrukkelijke toestemming is het gebruik van dit wapen illegaal. Daarnaast schrijven ze op hun website dat veel van hun leden lid zijn van hoge adellijke families/koninklijke huizen. Ook deze bewering wordt niet ondersteunt door feiten.
Enkele dagen na het overlijden van Prins Claus vond de orde het nodig een rouwadvertentie voor hem te plaatsen. Het hoeft geen betoog dat Prins Claus op geen enkele wijze met de orde was verbonden, een suggestie die de orde wel heeft willen wekken met deze advertentie.

Tomar: bezienswaardigheden

Op het belangrijkste plein, het Praça da República met een standbeeld van grootmeester Gualdim Pais, staat tegenover het 17e-eeuwse raadhuis de
Igreia de São João Baptista. Het opvallendste aspect aan deze laat-gotischelmanuelino-kerk uit de 15e eeuw is de manuelino-klokketoren met de achthoekige bovenbouw en piramidevormige spits. Het flamboyant-gotische hoofdportaal is van de hand van een onbekende Franse kunstenaar. Dit geldt ook voor de achthoekige gebeeldhouwde kansel. Aan de muren hangen schilderijen van de Portugese primitieven, 16e eeuw. 'Het Laatste Avondmaal' en 'Salomé' worden toegeschreven aan Gregório Lopes.

In de buurt van dit plein in de vroegere jodenwijk staat de Sinagoga, Rua Dr. Joaquim Jacinto. Veel synagoges zijn er in Portugal niet bewaard gebleven. Dit kerkje uit de 15e eeuw heeft ook maar nauwelijks de vernielzucht van andersdenkenden doorstaan. Het heiligdom werd tussen 1430 en 1460 gebouwd en is slechts kort door de joodse gemeenschap gebruikt. In 1496 vaardigde Manuel I een edict uit waarbij de joden werden gedwongen óf het land te verlaten óf zich tot het christendom te laten bekeren. Velen kozen voor de eerste 'oplossing' en vertrokken naar de Lage Landen (Nederland en België) en Duitsland. Het Museu Luso-Hebraico 'Abraão Zacuto' is nu nog bescheiden van omvang, maar moet in de toekomst uitgebreid worden tot een cultureel en religieus centrum. In 1987 werden naast de synagoge de rituele baden, mikveh, uit de 15e eeuw blootgelegd.

Monumento Henrique o Navegador
Hendrik de Zeevaarder heeft zijn plaats gekregen op het plein aan de ingang van het bos 'Mata dos Sete Montes'. Vanaf hier loopt een kronkelende weg heuvelopwaarts. U bereikt eerst de Ermida de Nussa Senbora da Conceigáo. Deze 16e-eeuwse kapel is een bijzonder zuiver voorbeeld van de vroege renaissancebouw. Wie de architect is, is niet bekend. In het interieur vallen het tongewelf en het caissettenplafond met rozetversieringen op.

Bovenop de heuvel is parkeerruimte en het Castelo dos Templários. Na de verovering van Santarém in 1147 en dat van Tomar in 1159 begon grootmeester Gualdim Pais met de bouw van een kasteel, waarvan niet veel meer is overgebleven dan de omwalling en de Rotunda. Via de Torre de Homenagem in de nog altijd indrukwekkende muur betreedt u de binnenplaats, de rustbanken zijn geheel bedekt met 'azulejos', die tot tuin is omgewerkt. Een dubbele trap leidt naar de tempelierskerk, beter bekend als Rotunda. Onder Manuel I is deze zestienhoekige kerk, gebouwd naar Syrisch-Byzantijnse principes, uitgebreid met een manuelino-schip en daaronder de kapittelzaal. Het geheel is daarmee opgenomen in de nieuwbouw van het klooster. Het schitterend gebeeldhouwde manuelino-portaal uit de 16e eeuw is van de hand van Joáo de Castilho: het is een kleinere, intiemere pendant van het zuidportaal van het klooster van Belém. De 12e-eeuwse Rotunda, nu het koor van de kloosterkerk, is gebouwd rond een achthoekig heiligdom, de 'charota', dat door 16 ribben met het plafond en de buitenmuren is verbonden. Van de Byzantijnse wandschilderingen is hier en daar (op de boog) nog iets zichtbaar. De rest van de decoraties is manuelino en renaissance (stucwerk, kleurrijk beeldhouwwerk en schilderijen).

Convento de Cristo:
Het hoger gelegen schip, netgewelven, van de kerk, dat met een spitsboog aansluit op de Rotunda, werd in 1510 voltooid door Diogo de Arruda. De in 1509 door Olivier van Gent gesneden koorstoelen zijn door de Fransen tijdens de Napoleontische oorlogen in het begin van de 19e eeuw voor brandhout gebruikt. Het gevelfront is uitgevoerd in een weelderige manuelinostijl.
Het Claustro do Cemitério, kruisgang van de begraafplaats, en het Claustro da Lavagem, kruisgang van de wasplaats, gedeeltelijk ingestort, werden in de 15e eeuw gebouwd op initiatief van Hendrik de Zeevaarder. Beide zijn met 16e-eeuwse blauwe 'azulejos' versierd. In de voormalige sacristie is een missiemuseum ingericht. Het grootste kloosterhof is het Claustro dos Felipes of Claustro Grande. Diogo de Torralva startte niet de bouw, 1557-1566, maar Filippo Terzi, hofarchitect van de Spaanse koning Filips II, voltooide deze renaissance-kruisgang met fontein in 1580. Volgens de overlevering zou Filips II hier tot koning van Portugal gekroond zijn. Een wenteltrap brengt u naar een terras, waarvandaan u uitziet op het Claustro de Santa Bárbara, maar vooral op het wereldberoemde venster van de kapittelzaal. Deze creatie van Diogo de Arruda is het summum van de manuelinostijl. Het vier meter hoge venster is zo rijk versierd dat het moeite te kost de details direct te herkennen: boven het kruis van de Christusridders, links en rechts motieven uit de scheepvaart, touwen, kabels, masten, koralen, algen, en onderop een portret van een zeeman. Dit venster is nog op twee andere manieren te bekijken. Vanuit een raam van het Claustro Grande kijkt u er recht tegen aan, en als u een andere wenteltrap afdaalt, kijkt u er van beneden af tegenaan. Vanaf het Claustro Grande kunt u ook het manuelino-hoofdportaal van bovenaf bekijken. Het Claustro da Hospedaria, Claustro da Micha en Claustro dos Corvos dateren alle van het eind van de 16e eeuw.

Aan de overkant van de Rio Nabáo liggen nog twee kerken:
Igreja de Santa lria, Rua do Marques Pombal, een renaissance-kapel.
Igreia de Santa Maria dos Oilvais, Rua de Santa Iria, dit is de moederkerk van de orde der tempeliers. De vroeg-gotische kerk werd in de 12e eeuw gebouwd, maar heeft nadien heel wat wijzigingen ondergaan. Vrijwel alle meesters van de orde liggen hier begraven.

Omgeving
Vier kilometer ten noordwesten van Tomar zijn de resten te zien van het Aqueduto de Pegòes Alto, 1593-1614, architect Filippo Terzi) dat de watertoevoer van het klooster regelde. Het aquaduct is 5 km lang en telt 180 bogen. Het is opmerkelijk hoe goed dit bouwwerk bewaard is gebleven.

Een aantal kilometers ten oosten van Tomar ligt het Barragem do Castelo de Bode, een stuwmeer in de Rio Zézere. De stuwdam is 115 m hoog en 400 m lang. Het meer is toegankelijk voor watersporters en hengelaars. Meer naar het noorden liggen nog enkele stuwmeren in de Rio Zézere: Barragem da Bouça en Barragem do Cabril.

Festa dos Tabuleiros

Festa dos Tabuleiros en Feira de Santa Iria
Eens in de twee á drie jaar, de bevolking bepaalt zelf of het feest doorgaat, wordt begin juli in Tomar het Festa dos Tabuleiros gehouden, georganiseerd door de in de 14e eeuw door Rainha Santa, de heilige koningin Isabel, gestichte Broederschappen van de Heilige Geest. Deze broederschappen deelden brood, wijn en vlees aan de armen uit. Het feest duurt vier dagen en bestaat uit vuurwerk, stieregevechten, muziek en dans en andere folkloristische activiteiten. De straten worden versierd met slingers, bogen en papieren bloemen. Het hoogtepunt is de processie op zondag. Vierhonderd jonge mannen, zwarte broek, wit overhemd en een gekleurde das, begeleiden een gelijk aantal jonge meisjes, witte jurk en gekleurde sjerp, in een optocht. De meisjes dragen moeizaam balancerend op het hoofd, een tabuleiro, een plank of mand opgetuigd niet een dertigtal broden en versierd niet papieren bloemen en korenaren. Deze toren is vaak net zo hoog als de meisjes zelf lang zijn. Heidense offerfeesten liggen aan dit ritueel ten grondslag.
Eind oktober wordt tijdens de Feira de Santa Iria de heilige Irmé of Irene herdacht. Zij was een non die in Tomar leefde. De monnik Remigo vermoordde haar en gooide haar in de Rio Tejo. Haar lichaam spoelde aan in Santarém.

De Historische stad Tomar

Deze stad ligt in het dal van de Rio Nabão, een zijrivier van de Rio Tejo in het district Santarém. De naam Tomar is afgeleid van het Arabische woord voor rivier. Tomar wordt omringd door heuvels, maisvelden, dennenbossen, olijf- en eucalyptusbomen. Al van veraf is duidelijk te zien welke cultuurhistorische betekenis Tomar heeft. Net als andere stadjes in Portugal -Alcobaça, Mafra en Batalha- wordt deze bepaald door één bouwwerk, in dit geval een klooster annex burcht op een heuvel. Deze burcht was nu eens niet het gevolg van het nakomen van een gelofte of ontstaan in opdracht van een koning, maar op instigatie van twee elkaar opvolgende ridderorden. Dit waren religieus-militaire verenigingen van ridders, die zich tot taak hadden gesteld het Heilige Graf in Jeruzalem en de pelgrims op hun tocht daarheen te beschermen. De combinatie van monnik en ridder was in de Middeleeuwen een normaal en geaccepteerd verschijnsel.

Orde van de Tempeliers
Voor Tomar was in eerste instantie de in 1119 in Jeruzalem opgerichte orde der tempeliers belangrijk. Deze orde had zijn hoofdzetel in een deel van een paleis in Jeruzalem, dat stond op een plein, waar vroeger de tempel van Salomo gestaan had, vandaar zijn naam. De leden van de orde waren te herkennen aan een witte mantel met een achtpuntig rood kruis op de borst. Aan het hoofd van de orde stond een grootmeester. De Portugese tak, de 'Ordem da Cavalaria do Templo' , kortweg Templários, had zijn zetel in Tomar. Behalve bij de Kruistochten naar het Heilige Land waren zij tevens nauw betrokken bij de strijd tegen de Moren op het Iberisch Schiereiland. Zo hadden zij een belangrijk aandeel in de verovering van Santarem en Lissabon in 1147. Voor zijn daden werd de orde beloond met burchten en landgoederen. Dit was niet alleen in Portugal, maar ook elders het geval. In Europa ontstonden zo rijke, machtige regionale orden, waarbij de 'Ordre du Temple' in Parijs de machtigste werd. Wereldlijke leiders moesten rekening houden met deze machtsfactor. Filips IV de Schone, koning van Frankrijk, was dit gegeven een doorn in het oog. Hij klaagde de tempeliers aan wegens zedeloosheid, verwereldlijking en machtsmisbruik. Hij wenste geen staat binnen de staat. Het bezit van de orde in Frankrijk werd geconfisqueerd en de onder druk geplaatste paus Clemens V, in ballingschap in Avignon, ontbond in 1312 de gehele orde. In Spanje en Portugal stuitte dit op groot verzet. Paus Johannes XXII, Clemens' opvolger, schonk daarop de Iberische vorsten het recht nieuwe orden te stichten en deze toegankelijk te maken voor de vroegere tempeliers.

Orde Christusridders
In 1319 stichtte koning Dinis hierop de orde der Christusridders, Ordem da Cavalaria de Nosso Senhor Jesus Cristo, die in 1350 door paus Julius III verbonden werd met de Portugese kroon. Een aantal jaren was Castro Marim in de Algarve het hoofdkwartier van de orde, maar in 1356 vestigden de ridders zich in Tomar. De orde kon zodoende de materiële welstand der tempeliers verder uitbreiden. Alleen de naam was veranderd, verder bleef alles bij het oude. Na de definitieve verdrijving van de Moren kreeg de orde een nieuwe opdracht: de vergroting van de Portugese koninklijke macht. Hendrik de Zeevaarder en Manuel I werden grootmeesters en konden zo de orde gebruiken voor hun idealen. De orde financierde de ontdekkingsreizen en verzorgde de bekering tot het christendom van de 'ongelovigen'. Hun symbool het achthoekige, rode kruis, overgenomen van de tempeliers, werd een begrip. Het was onderdeel van het wapen van Manuel I en het sierde elk zeil van de karvelen van de ontdekkingsreizigers. Na deze roemruchte periode werd hun macht echter beperkt, doordat Joáo III in 1523 bepaalde dat het religieuze aspect weer de boventoon moest gaan voeren. De orde werd weer een zuivere monniksorde.

In 1789 volgde de secularisatie en bij de val van de monarchie in 1910 werd de orde opgeheven.

Tomar: beleef de wereld van de Tempeliers

Wie langs de historische straten van Tomar of aan de oever van het dicht begroeide, in de rivier badende park wandelt, verliest de tempeliersburcht nooit uit het zicht.

De UNESCO verklaarde dit monument "Erfgoed van de Mensheid" een unicum in de Geschiedenis van het Westen dat symbolen draagt van de openheid van Portugal ten opzichte van andere beschavingen.

Gualdim Pais werd in 1156 de eerste grootmeester der Tempeliers van Portugal. In 1157 stichtte hij de stad Tomar, nog altijd éen van de meest tot de verbeelding sprekende Tempeliersplaatsen in Europa. Gualdim Pais, koos de top van deze berg om de vesting te bouwen. Hij wist dat hier de vertex (hoekpunt dat een aantal lijnen met elkaar verbindt) lag, die de Aarde met het sterrenbeeld Tweelingen, het sterrenbeeld van de Tempeliers, verbindt. Rond deze tijd begon men met de bouw van de Charola (het priesterkoor), een parel van religieuze architectuur, die is nagemaakt van de tempel boven het Heilige Graf in Jeruzalem. De ronde kapel is een unicum in de architectuur van de orde. De meeste kapellen zijn rechthoekig en volgen de stijl van de regio's. De kapel blijft tot op vandaag een icoon, maar vormt eigenlijk maar een klein deel van wat éen van de grootste Tempeliers burcht in Portugal is. Het "Convento de Cristo" is vandaag een indrukwekkend exuberant gedecoreerd klooster. Het Convent is gigantisch en is voornamelijk het resultaat van de bouwwoede van de latere Orde van Christus (Ordem dos Cavaleiros de Cristo), de erfopvolgers van de Tempeliers in Portugal. Zowat de hele burcht is ommuurd en voorzien van halfronde torens op regelmatige afstand van elkaar.

Met dit bouwwerk zou onder D.Manuel een nieuw, aan de zee gewijde kunstvorm beginnen. De tempelkerk is met tekeningen en sculpturen van buitengewone kwaliteit versierd. De Kapittelzaal steekt uit, richting het westen en herbergt een verbazingwekkend venster. Zoals bij een verschijning wordt het hele epos in steen verbeeld: golven, touwen, fantastische dieren, engelen, koningen, armillairsferen, Christuskruis.

Op grond hiervan, en nog zoveel meer andere wonderbaarlijke elementen die dit klooster huisvest, loont het alleszins de moeite om het te bezoeken en zijn mysteries te ontdekken. Op deze weblog vindt u alle inspiratie voor een zoektocht naar de geschiedenis van de Tempeliers. Laat u fantasie de vrije loop met informatie over geheime genootschappen, verborgen symbolen en historische bezienswaardigheden. Uw verblijf krijgt een meerwaarde net een zoektocht naar de geschiedenis van kunst, spiritualiteit, cultuur en architectuur.

Kom naar Midden-Portugal en bezoek de belangrijkste monumenten, die getuigen zijn van een lange historie. Bezoek de kloosters van Alcobaça en Batalha, het kasteel Castelo de Almourol, het burchten van Abrantes en Torres Novas, het prachtige autenthieke Ourem met z'n hooggelegen kasteel. Tijdens een rondrit van Olalhas, langs de Zêzere naar Dornes, Vila de Rei en terug via het geografisch middelpunt van Portugal, naar Constancia waant u zich terug in de tijd van ridders en mystieke verhalen.

Bij Casa Agradavel kunt u de Portugese gewoonten en gastvrijheid meemaken door te overnachten in een landelijke accommodatie. Het zullen onvergetelijke momenten worden!

De orde der Jezuïeten

Naast de Vrijmetselarij bestond er nog een organisatiemodel voor het Europese geheime genootschap: de orde der Jezuïeten, of beter gezegd het beeld dat daarvan door tegenstanders was geschapen. Al vanaf haar oprichting in 1540 hadden de Jezuïeten wantrouwen gewekt, ook bij geloofsgenoten, en waren hun huichelarij, drijverij en eerzucht voor de voeten geworpen. Omdat zij direct in dienst van de paus stonden, werden zij tot symbool van de supranationale aanspraken van de Katholieke Kerk; en omdat sommige van hen tirannenmoord hadden verdedigd, werden zij telkens van samenzwering verdacht wanneer er ergens een vorst gewelddadig om het leven kwam. De Monita secreta vormen een graadmeter voor de ontwikkeling van het negatieve beeld. Deze in 1614 te Kraków verschenen vervalsing moest doorgaan voor een uitgave van de geheime voorschriften van de orde, die alleen aan de leiding bekend waren. De tekst werd (en wordt) eindeloos herdrukt, zij het sinds eind zeventiende eeuw in een nieuwe versie, die aannemelijk moest maken dat de Jezuïeten bewust en stelselmatig naar de wereldmacht streefden. Zo werden hun in de loop van de tijd steeds meer trekken van een 'modern' geheim genootschap toegedicht, dat bovendien nog als bijzonder succesvol werd voorgesteld en zo zelfs voor zijn vijanden als inspiratiebron ging dienen.

De Monita speelden haast vanzelfsprekend een rol bij het verbod van de Societas Jesu in Portugal in 1759. In minder dan een decennium troffen Frankrijk, Spanje, Napels en Parma een zelfde maatregel, waarna paus Clemens XIV de Societas in 1773 ophief. De aanvankelijke vreugde bij haar tegenstanders was echter van korte duur, want weldra ontstond de vrees dat ze zich ondergronds hergroepeerde, zodat wat half in het geheim leek te opereren, nu geheel en al onzichtbaar was geworden. In de Duitse landen ontspon zich een discussie over haar mogelijke rol in de organisatie van tegen protestantisme en Verlichting agerende geheime genootschappen, waarbij uiteindelijk zelfs de verdenking opkwam dat de orde de Vrijmetselarij had geïnfiltreerd en achter de schermen had overgenomen. Dit trok de aandacht van graaf Mirabeau (1749-1791), de latere voorzitter van de Franse Nationale Vergadering, die na een bezoek aan Pruisen in 1786-1787 over de Duitse geheime genootschappen berichtte. Hij vergeleek de Jezuïeten met de (dan al verboden) Illuminaten-orde en onderstreepte hun voorbeeldrol, waarmee hij niet alleen onbewust in de sporen van de eerste Illuminaat trad, maar ook vooruitliep op het oordeel van menig negentiende-eeuws samenzweerder.

bron: IISG

Op zoek naar de schat (versie 3)

Een andere invalshoek?

Je moet uitkijken als schrijvers over mysterieuze onderwerpen zoals de graal ineens weer op de proppen komen met tempeliers. Hun vermeende connecties met allerlei vreemde genootschappen, hun 'geloof' in een afgod, genaamd Baphometh en hun zogenaamde inwijdingsrite met het vertrappen van en het spuwen op het kruis zijn vaak beschreven, maar nooit echt bewezen.

Er zijn allerlei groepen geweest in de negentiende en twintigste eeuw die beweerden hun opvolgers te zijn. Daarvan zijn de Vrijmetselaars natuurlijk de bekendsten. Toch zijn er ook ordes opgericht die beweerden regelrechte opvolgers te zijn.

In Duitsland ontstonden er aan het begin van de twintigste eeuw twee nieuwe ordes die zich baseerden op die tempeliers: de Ordo Templi Orientis, die zich richtte op occulte zaken, en de Ordo Novi Templi, die zich presenteerde als een Arische organisatie die een raciaal bewustzijn wilde nastreven.

De Ordo Templi Orientis werd een tijd bestuurd door ene Theodor Reuss (1855 - 1923). Hij was tegelijkertijd een politiespion die berichten moest doorgeven over de activiteiten van de dochter van Karl Marx, Eleanor. Zijn opvolger als hoofd van de orde, Aleister Crowley, werd ook meerdere keren genoemd als 'werknemer' van de Engelse geheime dienst.
De Ordi Novi Templii was rond 1905 opgericht door ene Jörg Lanz vond Liebenfelz. Hij was als Adolf Lanz geboren in Wenen en was opgegroeid in de dubbelmonarchie, Oostenrijk-Hongarije. Op jonge leeftijd was hij enthousiast geworden over de Graallegenden en dappere ridders die streden voor nobele doelen door de opera's van Richard Wagner. Hij werd op z'n drieëntwintigste monnik in een abdij bij Wenen. Hij combineerde een diepgaande studie van christelijke en gnostische literatuur met het racisme uit zijn tijd. In 1899 stapte hij uit de orde omdat zijn ideeën niet meer katholiek genoeg waren.

Hij was ondertussen zover gevorderd met zijn 'studies' dat hij beweerde dat de zondeval uit de Bijbel in werkelijkheid de vermenging van het Arische ras met mindere wezens was geweest. Het 'pure ras' had zichzelf op die manier verzwakt. In 1905 publiceerde hij zijn misschien wel belangrijkste werk: Theozoologie oder die Kunde von den Sodoms-Äfflingen und dem Götter-Elektron. Hierin beschreef hij de mensheid als een creatie van het kwade. De Bijbel en met name het Oude Testament was geschreven als een waarschuwing voor het Arische ras. Christus was een Ariër geweest die was vermoord door de 'beestmensen' omdat hij het pure Ariër zijn wilde propageren. Het was nu een soort seksueel racisme. Het was als Ariër 'vies' om met lagere rassen seks te hebben. Nakomelingen waren gedegenereerde wezens. Lanz stelde voor om het proces als het ware te keren, om het ras weer puur te maken. Hij verklaarde democratie, socialisme en feminisme tot de grote tegenstanders van dit streven. Maar ook de christelijke deugd van medelijden moest het ontgelden. Om het Arische ras weer puur te maken moesten lagere rassen uitgeroeid worden door een gedwongen programma van sterilisatie en castratie. Later zou Lanz hebben beweerd: Hitler is één van onze leerlingen. Maar echt bewijs voor die bewering is er niet. Lanz beweerde ook dat Hitler in 1909 bij hem op bezoek zou zijn geweest. Maar hoe wist hij wie het was? Hitler had in die tijd nog geen enkele bekendheid. Wel is duidelijk dat er in meerdere kringen dit soort rare ideeën circuleerden.

In zijn latere geschriften ging Lanz door met het propageren van zijn idee van de terugkeer naar het pure ras. Hierbij maakte hij vrijelijk gebruik van teksten van theosofen, zoals Madame Blavatsky, Annie Besant en Rudolf Steiner. Hij geloofde ook in verzonken continenten en het verdwenen derde oog. Maar ook vond hij er verhalen over hoe vermenging met inferieure rassen had gezorgd voor een 'zondeval'. Deze occulte ideeën zouden een voedingsbodem worden voor de ontwikkelingen in de jaren dertig en veertig. Lanz zag de heraldiek van deviezen en namen als een soort code voor de arische mens. Daarbij gebruikte hij ook astrologie en handleeskunde.

Een verdere studie van astrologie zorgde ervoor dat er een soort millenaristische urgentie bij kwam. De Eerste Wereldoorlog was een voorbode van grote veranderingen. Beschrijvingen ervan kwamen terecht in zijn tijdschrift Ostara.

Hij publiceerde er ook de doelstellingen van zijn Ordo Novi Templi in. Met enkele vrienden kocht hij voor de orde een ruïne van een kasteel. Daar vierde hij kerst 1907 door een vlag met swastika te hijsen. Verder organiseerde de orde in de loop van het jaar erop diverse feesten die in plaatselijke en enkele landelijke kranten werden beschreven. Zo kreeg Lanz zijn gratis publiciteit. Toegelaten worden tot de orde kon alleen als je min of meer (?) blond haar, blauwe ogen en een 'arisch-heroïsch' figuur had. De leden van de orde moesten een soort aristocratie gaan vormen. Lanz schreef verschillende werken en stelde anderen samen op basis van 'geleende' teksten voor de orde. Er waren graden te halen en er was specifieke kleding te dragen. In alles hield hij het voorbeeld van de oorspronkelijke tempeliers voor ogen. Het einde van de Eerste Wereldoorlog en het verdwijnen van de dubbelmonarchie brachten Lanz' activiteiten tijdelijk tot stilstand.

Maar in 1922 startte er een nieuwe serie van Ostara. Lanz was verhuisd naar Hongarije en anderen namen de taak op zich om de orde in Oostenrijk en Duitsland te reorganiseren. In beide landen lukte dat met mensen die zich wat later ook schaarden bij de opkomende nazi's. De groepen zetten netwerken op voor racistische organisaties in Europa. Typisch genoeg echter werd ook de Ordi Novi Templi door de nazi's verboden. Hitler wilde niets van occulte genootschappen weten. Lanz verhuisde in 1933 naar Zwitserland en bleef daar tot 1945 wonen. Hij moest nu niet veel van Hitler hebben.

Eén van de genen die Lanz vlak na de eerste Wereldoorlog had ontmoet, Karl Maria Willigut, zou als enige uit die kringen wel concrete invloed hebben op het gedrag van één van de belangrijkste nazi-leiders. Hij werd adviseur van Heinrich Himmler. Willigut had een eigen versie van de geschiedenis van de wereld ontwikkeld rond de geschiedenis van zijn voorouders met een behoorlijke dosis mythologie van theosofen en aanverwante groepen. Zijn chronologie begon bijvoorbeeld rond 228.000 jaar voor Christus, toen er drie zonnen in de hemel stonden en de aarde bevolkt was met reuzen, dwergen en andere wezens. Willigut's voorouders hadden geholpen om een soort orde in deze chaos te brengen. Het waren dit soort verhalen die hem enige aanzien bezorgden in de kringen van nationalisten en racisten. Katholieken, joden en vrijmetselaars waren als het ware de huidige incarnaties van eeuwenoude tegenstanders van zijn voorouders. Misschien niet verwonderlijk dat de man van 1924 tot 1927 gedwongen werd opgenomen in een inrichting... Na zijn vrijlating echter werd hij door zijn vrienden (onder andere die van de tempelierorde) snel weer in staat gesteld om zijn positie als 'Duitse wijze' in te nemen. In 1933 werd hij lid van de SS. Hij werd hoofd van een afdeling die de geschiedenis van het Duitse ras moest bestuderen. De correspondentie met Himmler werd steeds vriendelijker. Ze gaven elkaar zelfs verjaardagscadeaus.



In januari 1933 trok Himmler tijdens een verkiezingstournee door het Teutoburgerwoud. Het was natuurlijk een belangrijke plek voor het Duits nationalisme. Daar waren immers de Romeinse legioenen van Augustus verslagen door de Germanen. Himmler wilde er een kasteel aanschaffen voor SS-doeleinden. Dat werd in november 1933 de Wewelsburg.
Het werd een museum en een opleidingsinstituut voor SS-officieren voor hun ideologische scholing. Wiiligut was adviseur bij de aankoop. Hij haalde een oude Westfaalse legende aan dat een enorm leger uit het oosten uiteindelijk verslagen zou worden door het westen bij deze burcht. De Wewelsburcht zou ter zijner tijd moeten uitgroeien tot een soort cultcentrum. Er kwam echter een oorlog tussen...

Graal?
Eén van degenen met wie Karl Maria Willigut samen werkte was Otto Rahn (1904 - 1939). De naam van de man valt regelmatig als het gaat om de mysteries rond het zoeken naar de Graal. Dat komt eigenlijk doordat hij in 1933 een boek publiceerde Kreuzzug gegen den Gral. Daarin beschreef hij de katholieke kruistocht tegen de Katharen in 1207 als de onderdrukking van een gnostische godsdienst, die hij zag als mengeling van ideeën over de liefde van troubadours, het geloof van de Katharen en legenden rond de Graal.

In 1929, toen hij door de economische crisis werkeloos was geworden, trok hij op zoek naar werk via Zwitserland en Parijs naar de Languedoc, waar de Katharen ooit hadden gewoond en ontmoette er deskundigen zoals Antonin Gadal en René Nelli. In de jaren dertig was het onderwerp Katharen nog niet zo populair als tegenwoordig.

Otto Rahn

De Graal zou in het bezit zijn geweest van de Katharen. Toen hun misschien wel belangrijkste kasteel, Montségur, werd belegerd, zou aan het einde van dat beleg de Graal in veilgheid zijn gebracht. Ook zouden de Tempeliers er in bezit van zijn geweest. Dit zouden dan de bewakers zijn geweest die genoemd werden in Parzival van Wolfram von Eschenbach. Maar... Von Eschenbach omschreef de Graal als een steen! Maar niet alleen Rahn werd door Eschenbach geïnspireerd, ook Richard Wagner gebruikte zijn werk als 'bron'.

Met Rahn is het raar gelopen. Iemand bracht zijn werk onder de aandacht van Himmler en die vroeg Rahn mee te werken aan onderzoek gesponsord door de SS. De SS onderzocht een soortgelijke onderdrukking: die van het 'germanendom' door de katholieke kerk. Zo ging hij onder andere op reis naar IJsland. In zijn verslag probeerde hij restanten van het geloof van zowel de oude Germanen als de Katharen terug te vinden in verschillende delen van Europa.
Eind 1937 kwam hij in militaire dienst bij een SS-divisie die het concentratiekamp Dachau moest bewaken. Waarom hij daarna in februari 1939 uit de SS stapte is niet duidelijk. Een maand later stierf hij na een gevaarlijke tocht door de bergen bij Kufstein.

In verschillende boeken wordt gesuggereerd dat de SS op zoek naar de graal zou zijn geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden dan groepen SS´ers gezocht hebben in de Pyreneeën en de Provence. Himmler zou in zijn cultcentrum Wewelsburg niets meer of minder hebben gewild dan een soort heroprichting van de ridders van de ronde tafel! In die zin paste daar het zoeken naar de Graal prima bij.

Het is om de een of andere reden spannend om te veronderstellen dat terwijl er op het slachtveld honderdduizenden stierven er op een ander plan strijd werd gevoerd om het bezit van een Heilige Graal of een Lans van het Lot. Er worden samenzweringen gesuggereerd waar ze niet waren, terwijl de werkelijke complotten, bijvoorbeeld om Hitler te vermoorden, minstens net zo spannend zijn, maar blijkbaar niet sensationeel of ´schokkend´ genoeg zijn.

uit Passage6 (Ed Jansen)

Literatuur:

Baigent, Michael, Leigh, Richard & Lincoln, Henry, The Holy Blood and the Holy Grail, Corgi Books, London, 1986

Baigent, Michael, Leigh, Richard & Lincoln, Henry, The Messianic Legacy, Corgi Books, London, 1987

Brown, Dan, De Da Vinci Code, Uitgeverij Areopagus, Amsterdam, 2004

Fanthorpe, Lionel & Patricia, Secrets of Rennes-le-Château, Samuel Weiser Inc., York Beach, Maine, 1992

Goodrick-Clarke, Nicholas, The Occult Roots of Nazism, secret Aryan Cults and their Influence of Nazi Ideology, New York University Press, New York, 1992

Ellic Howe, Astrology and the Third Reich, The Aquarian Press, Wellingborough, Northamptonshire, 1984

Kletzky-Pradere, Tatiana, Rennes-le-Chateau, guide du visiteur, 1990

Peter Levenda, Unholy Alliance, A History of Nazi Involvement with the Occult, Avon Books, New York, 1995

Lincoln, Henry, De gewijde vijfhoek, Rennes-le-Château, de verborgen geschiedenis onthuld, Tirion, Baarn, 1998

Op zoek naar de schat (versie 3)

Een derde versie:

Maar wat nu als de verklaring veel eenvoudiger, veel aardser is? Het is duidelijk dat het hele verhaal over de abt en zijn schat thuis hoort in behoorlijk 'rechtse' kringen. Iemand die rond 1900 in Frankrijk monarchist was, was conservatief. Daarnaast was er in kerkelijke kringen een strijd tussen hervormingsgezinden en conservatieven. Saunière behoorde duidelijk tot de laatste groep. Het was een tijd waarin de Franse overheid, soms met geweld, kloosters sloot. Het onderwijs werd uit handen van de kerk genomen.

Hij kreeg misschien wel het geld omdat hij missen hield op bijeenkomsten van royalisten. Saunière was in 1886 al eens veroordeeld wegens het houden van een anti-republikeinse preek en zijn 'terugval' in de eerste jaren van de twintigste eeuw hadden te maken met het gegeven dat de paus niet wilde dat hij met dat soort preken door ging. Zijn geldstroom (van de royalisten dus) droogde op. Het op en neer gaan van zijn 'fortuin' had dus alles te maken met de verhouding tussen Frankrijk en de paus.

Maar hoe komen we dan aan al die verhalen over verborgen schatten en 'geheimen'? Ook daar bestaan verklaringen voor. De beroemde Priorij van Sion bijvoorbeeld zou heel goed het verzinsel kunnen zijn van een Franse zonderling, Pierre Plantard genaamd. Deze naam komt in veel verhalen over de geheimen voor. Hij zou de grootmeester zijn van de orde en in die zin de opvolger van allerlei illustere figuren, zoals Nicolas Flamel (een beroemd alchemist), René d'Anjou (de kunstenaar-koning uit de vijftiende eeuw), Leonardo da Vinci, Isaac Newton, Victor Hugo, Claude Debussy en Jean Cocteau. Plantard beweerde dat hij afstamde van de Merovingische koningen, met name van Dagobert II. Het bleek allemaal verzonnen? Natuurlijk niet.Plantard en zijn vrienden konden zo'n complex verhaal niet hebben verzonnen. Ze moesten over geheime kennis beschikken.

Plantard had trouwens in de Tweede Wereldoorlog meegewerkt aan een blad, Vaincre (overwinning) genaamd, dat een vreemd mengsel van occulte onderwerpen vermengde met antisemitische artikelen. Ook daarin was sprake van een vreemd genootschap met 'geheimen'. Het was blijkbaar een hobby van de man.

Maar het mysterie blijft en de schat en het geheim van Rennes-le-Château blijven mensen trekken. Het dorp vaart er wel bij. Je mag er alleen niet meer graven. In plaats ervan kun je er nu een spannend thriller, De Da Vinci Code gaan lezen, waarin veel van de hierboven beschreven 'mysteriën' een rol spelen.

uit Passage6 (Ed Jansen)

Op zoek naar de schat (versie 2)

Een 'ingewijd' lezer van versie 1, heeft het al begrepen. Het is een samenvatting van het verhaal over de schat van Rennes-le-Château. De abt in het verhaal is Bérenger Saunière en over hem en zijn vermeende schat gaan de vreemdste verhalen.

Eén van de eersten die er over schreef en speculeerde was een Fransman, Gérard de Sède die in de jaren zestig Le Trésor Maudit publiceert. In dit boek stond de eerste versie van het verhaal over de abt die in 1891 in een holle pilaar in zijn kerk papieren vindt. Met de informatie uit die papieren gaat hij naar Parijs. Vlak erna blijkt hij over veel geld te beschikken. Het boek brengt een eerste serie schatgravers op de been. Het resultaat is dat de gemeenteraad van het dorp al aan het begin van de jaren zeventig verbiedt te graven naar de schat.

Het boek over de 'vervloekte schat' kwam ook in handen van een Engelsman, Henry Lincoln. Hij raakte geïnteresseerd en maakte voor de BBC een documentaire over het dorp en de schat, The Lost Treasure of Jerusalem. Hetgeen hij in de film 'ontdekte' werd uitgebouwd in een boek dat hij samen met twee anderen schreef: The Holy Blood and the Holy Grail.

Men bleek de beschikking te hebben over de twee oude teksten van de biechtvader, Antoine Bigou. Ze bevatten aanwijzingen voor het vinden van de schat van de oude dame, Marie, Markiezin d'Hautpoul de Blanchefort. Zij had haar biechtvader verteld dat het ging om een geheim dat van generatie op generatie was doorverteld. Ze stierf kinderloos en was dus wel gedwongen om het aan iemand toe te vertrouwen. Vreemd genoeg wezen de vreemde tekens op haar grafsteen in dezelfde richting als de boodschap die men ontcijferde uit de teksten van de biechtvader. Ze verwezen naar een schilderij van de Franse schilder Poussin, Et in Arcadia Ego. Het is één van de schilderijen waarvan Saunière een kopie meenam uit Parijs. Tenminste... Er is geen onafhankelijk bewijs dat de abt in die tijd Parijs bezocht heeft. Kopieën van het schilderij van Poussin werden door het Louvre overigens pas na 1901 verkocht! Er waren ook andere raadsels, waaronder de holle pilaar, die was veel te klein om vier houten kokers te bergen.

Het probleem van boeken als Het Heilige Bloed en de Heilige Graal en diens opvolger De Messiaanse Erfenis is dat ze bol staan met zinnen die beginnen met "Men zegt dat..." , "Het schijnt dat..." en "Er zijn verhalen die vertellen dat..." Met andere woorden: de informatie is niet betrouwbaar. Er worden verbanden gelegd op basis van klankovereenkomsten in verschillende talen of door onbewezen verhalen dat mensen elkaar 'wellicht' hebben leren kennen. Het is een soort pseudogeschiedenis van mensen die de 'gewone' geschiedenis niet spannend genoeg vinden.

Maar sommige 'connecties' echter zijn te mooi om onbeschreven te blijven. Saunière zou in 1891, tijdens zijn bezoek aan Parijs, operazangeres Emma Calvé (1858 - 1942) hebben leren kennen. Calvé was van oorsprong Spaanse en was bezig door te breken als sopraan. Zij had inderdaad belangstelling voor 'spirituele zaken'. Mede daardoor was ze in contact gekomen met Jules Bois (1868 - 1943) een schrijver en journalist die zich zeer voor dat soort zaken interesseerde. Hij was bevriend met Joris Karl Huysmans en publiceerde boeken en artikelen over Rozenkruisers en andere genootschappen in Frankrijk. Ook was hij bevriend met ene Samuel MacGregor Mathers. Die vroeg hem in 1899 een ritueel van zijn magische orde te beschrijven. De naam van die orde was The Golden Dawn. Het is verleidelijk om te denken dat één van de deelnemers aan dat ritueel het nieuwe lid, Aleister Crowley was. Crowley die op een heel andere manier aan het einde van deze serie artikelen nog een keer op komt draven.

De schat van de abt zou door de jaren heen van alles zijn geweest. Eén schrijver heeft het over de schat uit de tempel van Jeruzalem. Toen de Romeinse legers onder leiding van de latere keizer Titus de stad in het jaar 70 veroverden namen ze schatten van de tempel mee naar Rome. Daar bleven ze bewaard tot in 410 de Visigoten de stad veroverden en de schat meenamen naar het gebied waar ze zich vestigden. Dat was het latere Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje. Rennes-le-Château zou in die tijd een soort hoofdstad zijn geweest. Toen later het gebied steeds weer opnieuw werd aangevallen, zou de schat zijn verborgen. Andere schrijvers hebben het over de schatten van Katharen of Tempeliers. Eén van de voorouders van de oude dame, Bertrand de Blanchefort, was grootmeester van de orde geweest. Die Tempeliers blijven overigens voortdurend in dit soort verhalen opduiken. Eén andere variant wil dat de Tempeliers in het Heilige Land het graf van Jezus vonden en zijn beenderen opnieuw hebben begraven in de buurt van Rennes.

Maar is een schat hetzelfde als een geheim? De vraag stellen is hem beantwoorden. Men komt algauw op een ander thema, een verhaal dat al veel langer de ronde doet.

Aan de Zuid-Franse kust ligt het plaatsje Saintes-Maries-de-la-Mer. Daar zouden in het jaar 40 een groepje van de naaste volgelingen van Jezus zijn geland. Daaronder bevond zich Maria-Magdalena, waarvan het verhaal ging dat ze de vrouw van Jezus zou zijn geweest en zwanger van hem was. Dat kind zou dan de stamvader zijn geweest van de Franse koningen. Als Saunière met die informatie naar Parijs trok is het verklaarbaar dat hij toegang kreeg tot allerlei royalistische kringen. Een andere variant is dat Maria-Magdalena de schaal waarin Christus bloed zou zijn opgevangen, de graal, had mee gebracht.

Dat verhaal over 'bloed' doet denken aan het belang dat men in vroeger tijden hechtte aan het 'van koninklijke bloede' zijn. Het was verbonden aan het idee dat er tijdens de mis symbolisch werd gedronken van het bloed van Jezus. Het drinken van bloed werd gezien als het in zich opnemen van de kracht van een ander. Het hoorde echter ook bij beschuldigingen van kannibalisme en incest die werden geuit in de richting van minderheidsgroepen met gewoonten die men niet begreep. Ze werden aan het begin van de jaartelling geuit tegen joden en christenen. De laatsten namen de beschuldiging als het ware over om te gebruiken tegen allerlei zogenaamd 'ketterse' groepen. Zo komen we bijvoorbeeld weer uit bij de dingen die men over katharen en tempeliers zei.

Men zou het geloof in een 'bloedlijn' van Jezus ook kunnen beschrijven als een vorm van nationalisme. De Fransen werden eeuwenlang geleid door koningen wiens bloed 'goed' was. Om de eer en de glorie van het land weer in ere te herstellen was dus een terugkeer naar de oude waarden en normen nodig. En dat is nu precies waar een deel van rechts Frankrijk al sinds het verliezen van de Frans-Duitse oorlog, in 1871, mee bezig was. Het land was verslagen door 'blonde barbaren' en kon alleen 'gezuiverd' worden door alle factoren die van het land een zwakke natie hadden gemaakt uit te bannen. Het anti-semitisme herleefde in de Dreyfuss-affaire en speelde een verdere rol in het politieke leven.

uit Passage6 (Ed Jansen)

Op zoek naar de schat (versie 1)

Een eerste versie
Er was eens een oude dame die voelde dat ze zou gaan sterven. Ze riep haar biechtvader, de abt van het dorp waar ze woonde, bij zich en vertelde hem een groot geheim. Ze nam hem in vertrouwen en gaf hem verschillende papieren die hij goed moest bewaren. De abt, die behoorlijk was geschrokken van het verhaal dat ze hem vertelde, verstopte de papieren in een holle pilaar in zijn kerk.

Het waren roerige tijden en de abt was pas tien jaar na de dood van de dame in staat om een steen op haar graf aan te brengen. Op die steen liet hij een vreemde tekst graveren: Et in Arcadia Ego, in Griekse letters. Daaraan waren andere woorden en tekens toegevoegd die het geheel een mysterieus aanzien gaven. Aan het hoofd van het graf liet hij een steen neerzetten waarop stond wie er begraven lag. Maar ook met die tekst was iets vreemds aan de hand. Het leek net alsof er een amateur bezig was geweest die niet precies had uitgerekend hoe lang de woorden en zinnen waren.

Vlak na het voltooien van de grafstenen moest de abt vluchten. In zijn land was er een revolutie uit gebroken en alle mensen van de kerk waren verdacht. Hij was al oud en ver weg van het dorp, in een ander land zat hij in over hoe hij het geheim kon doorgeven in vertrouwde handen. Gelukkig waren er meer mensen uit zijn omgeving naar dezelfde stad in dat andere land gekomen. Hij vertelde aan twee priesters dat er in zijn dorp een grote schat verborgen was. De sleutel tot die schat was te vinden in zijn kerk.

Deze twee priesters gaven, aan het eind van hun leven, op hun beurt het geheim door aan weer twee andere mannen. Het was de jongste van de twee die ruim honderd jaar nadat de oude dame was gestorven, pastoor werd van dat dorp.

De jonge pastoor was nog jong, 33 jaar, en heel enthousiast. Hij vond zowel de woning van de pastoor als de kerk verwaarloosd. Hij begon voortvarend met herstelwerkzaamheden.Omdat men er een ander altaar wilde neerzetten, werd het oude weg gehaald. Tot verbazing van de abt bleek dat één van de pilaren waarop het altaar rustte hol was. Of was de verbazing gespeeld en wist hij wat er te vinden was? Hij vond er in ieder geval vier houten kokers met daarin papieren. Twee ervan bevatten stambomen, maar de twee anderen leken geschreven door de biechtvader van de oude dame. Deze twee documenten leken teksten uit het Nieuwe Testament te bevatten. Gaven zij, in code, een bericht door over een te vinden schat? Of was het de erin vervatte informatie die die 'schat' was? Hetzelfde gold ook voor de teksten die op de stenen van haar graf stonden. Waren het aanwijzingen in code?

Het was achteraf duidelijk dat met de vondst van die papieren de rijkdom van de abt snel toe nam. Terwijl de verbouwingen aan de gang waren kreeg de pastoor onverwacht bezoek van een afgezant van een rijke weduwe. Haar man was de laatste troonpretendent geweest van de koningsfamilie die lang over het land had geregeerd. De abt kreeg een enorm bedrag als bijdrage voor de restauratie van de kerk. Het bleek dat zij op de hoogte was van het bestaan van de schat. Een familielid van de oude vrouw die meer dan honderd jaar daarvoor was overleden had lang geleden aan het hof verteld wie het geheim bewaarde.

De abt ondertussen werd ook geholpen door een oudere een 'ingewijde'. Waarom hij deed wat hij deed is niet helemaal duidelijk, maar hij publiceerde een vreemd boek, waarin hij op een ingewikkelde manier, middels een geheimschrift aangaf waar de schat van de oude dame te vinden zou zijn.

Eén van de eerste dingen waaraan de dorpelingen konden merken dat er iets aan het veranderen was bij de abt thuis, was aan het gedrag van zijn huishoudster. Deze jongedame van begin 20 begon zich plotseling te kleden 'als een dame uit de hoofdstad'. Vreemd, hoe zou ze aan het geld komen? Ook begon men zich te verwonderen over de manier waarop hun kerkje werd verbouwd.

Er werd geroddeld dat er onder de kerk graven waren gevonden en dat de abt die plunderde. Maar als dat zo was geweest, was dat na verloop van tijd uitgekomen. Noch de bisschop, noch de paus reageerde echter.

In de jaren erna schijnt de abt een aantal sporen dat anderen konden gebruiken om dezelfde ontdekking te doen, uit te hebben gewist. Zo werd de steen op het graf van de oude dame weg gehaald en probeerde men de inscriptie erop weg te schaven. Zelf ging hij op reis naar de hoofdstad, ontmoette daar verschillende personen die hij uitnodigde om naar zijn dorp te komen. Vreemd gezelschap voor een abt: een bekende occultist, een zangeres en de oprichter van een bekende magische orde.

Hij ging er ook naar musea en kocht er kopieën van twee zeventiende eeuwse schilderijen van landschappen. Vreemd genoeg beweerde men later dat die schilderijen afbeeldingen van de omgeving van het dorp van de abt waren.

De inwoners van het dorp trouwens begonnen te protesteren tegen de 'herstelwerkzaamheden' toen men het kerkhof begon om te gooien, zonder al teveel zorg voor de graven van de vroegere dorpsbewoners. Hun afstammelingen protesteerden bij de politie.

Terwijl de abt op reis was, kwam er nog steeds geld binnen uit alle delen van het land en zelfs uit het buitenland. Veelal kwamen die van religieuze instellingen. Zo werd de kerk een vreemd barok werk, overdadig qua versieringen en slecht passend bij een dorp waarvan de inwoners het soms moeilijk hadden. Toch was het nog niet genoeg. De abt liet voor zichzelf en zijn huishoudster een nieuwe woning bouwen. Daarbij liet hij een torentje bouwen dat ook nu nog als een soort symbool van het dorpje geldt.

Helaas voor de abt begon het na 1903 te veranderen. Er kwam een nieuwe paus en in de naburige grote stad zetelde een andere bisschop. De geldstroom begon minder te worden. Hij moest zuinig aan gaan doen. Maar het werd nog erger. In 1909 was er zo'n gebrek aan geld dat hij meubels en andere bezittingen moest gaan verkopen. Het Vaticaan noemde hem een verdacht persoon en als klap op de vuurpijl werd er een andere pastoor voor het dorp benoemd. De schulden die de abt had gemaakt werden hem kwijt gescholden, maar het feit dat hij zijn huis uit moest en zijn dorp moest verlaten kostte hem zijn gezondheid.

Toen veranderde de zaak ook ineens weer ten goede. De oudere collega, waar we hierboven over spraken, overleed. Maar op zijn sterfbed vertrouwde hij 'onze' abt zijn deel van het geheim toe. Was het opnieuw een aanwijzing naar een deel van de schat? Tegelijkertijd kwam er weer een nieuwe paus die weer wat toeschietelijker was ten opzichte van de abt en zijn bezigheden. De schrale tijden leken voorbij en hij kon weer als rijk man terug naar zijn dorp. Toch was het gedaan met zijn gezondheid. Hij overleed in 1917, 64 jaar oud. Zijn huishoudster werd 85 en stierf in 1953. Vlak voor haar dood werd ze gezien in de tuin. Ze was papieren aan verbranden. Onduidelijk bleef of zij op haar beurt het geheim had doorgegeven.

uit Passage6 (Ed Jansen)